Conclusie A-G Machielse 28 november 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AZ0264

Vooropgesteld moet worden dat verklaringen en mededelingen van de raadsman die ter terechtzitting, al dan niet ex art. 279.1 Sv, optreedt, niet als wettige bewijsmiddelen kunnen gelden (HR NJ 1981, 13 en HR NJ 2002, 340). Het hof heeft tot uitdrukking gebracht dat de stelling van de raadsman “dat de verdachte heeft te gelden als naïef, onervaren en weinig kritisch, dus in mindere mate bewust van de risico’s verbonden aan de door hem gevolgde handelwijze” moet worden verworpen, mede op de grond dat zij onverenigbaar is met de mededeling van de raadsman dat verdachte “een bancaire opleiding heeft genoten”. Aldus verstaan geven ’s hofs overwegingen geen blijk van miskenning van hetgeen is vooropgesteld. Anders moet worden geoordeeld t.a.v. ‘s hofs gebruik van de mededeling van de raadsman dat verdachte “in Suriname heeft gewoond”. Dit behoeft niet tot cassatie te leiden aangezien deze mededeling overeenstemt met de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van verdachte zodat aan het gebruik van de mededeling van de raadsman geen zelfstandige betekenis toekomt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen