Conclusie A-G Knigge 17 oktober 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AY7361

1. Houden van vee i.s.m. stillegging onderneming ex art. 7.c WED. 2. Verweer dat onderzoek van feitelijke aard vergt kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd. Ad 1. Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat verdachte aan de X-dijk te Y vee heeft gehouden in de periode gedurende welke voor hem de verplichting gold tot gehele stillegging van zijn onderneming aan de X-dijk te Y. Het in de bewezenverklaring tot uitdrukking gebrachte oordeel van het hof dat verdachte aldus in strijd heeft gehandeld met de hem opgelegde straf, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, in aanmerking genomen de door het hof vastgestelde activiteiten die door verdachte aldaar werden ontplooid, niet onbegrijpelijk. Dat oordeel behoefde geen nadere motivering. Dat uit de bewijsmiddelen zou moet blijken dat het bewezenverklaarde houden van vee heeft plaatsgevonden om er geldelijk voordeel mee te behalen c.q. op winst was gericht, vindt geen steun in het recht. Ad 2. De klacht dat de straf van algehele stillegging van een onderneming als i.c. niet kan meebrengen dat het vee de noodzakelijke verzorging moet worden onthouden, zodat verdachte, die zich heeft beperkt tot voedings- en verzorgingsactiviteiten, niet heeft gehandeld in strijd met de opgelegde straf miskent dat een zodanig verweer, dat een onderzoek vergt van feitelijke aard, niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen