Conclusie A-G Vellinga 19 september 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AX9420

1. Klacht geldigheid dagvaarding/oproeping kan niet voor het eerst in cassatie wanneer daartoe eerder gelegenheid bestond. 2. Redelijke termijn en betekening verstekmededeling. Ad 1. In cassatie kan niet voor het eerst worden geklaagd over de dagvaarding/oproeping van verdachte in 1e aanleg als zoals i.c. de raadsman namens de niet-verschenen verdachte de gelegenheid heeft gehad een zodanige klacht aan de feitenrechter voor te leggen (HR NJ 1997, 91). Ad 2. HR verwijst naar conclusie AG o.m. inhoudend: De verstekmededeling is ruim 2 jaar na de bestreden uitspraak in persoon uitgereikt aan verdachte. De in HR NJ 2000, 721 genoemde gevallen waarin in elk geval geen sprake is van schending van de redelijke termijn, zijn hier dus n.v.t. Verdachte is vanaf 29-11-99 niet ingeschreven geweest in de GBA terwijl van hem evenmin een woon- of verblijfplaats bekend was. Het OM heeft ruim 5 maanden na de uitspraak een verzoek gedaan tot signalering van verdachte en dit verzoek 9 maanden na de uitspraak herhaald. Voorts heeft het OM 4 maanden na de bestreden uitspraak getracht te achterhalen of verdachte inmiddels in de GBA was opgenomen en dit 1 jaar en 11 maanden na de uitspraak nogmaals geprobeerd. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat de vertraging die is opgetreden vanaf de datum waarop de uitspraak is gedaan valt toe te rekenen aan het OM. Het OM heeft bij de betekening van de verstekmededeling a.b.i. art. 366 Sv derhalve de nodige voortvarendheid betracht, zodat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn, nu van verdachte ook geen adres in het buitenland bekend was. Daarbij teken ik aan dat het VIP sinds 1-6-05 ook de bij de GBA bekende adressen in het buitenland aanlevert.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen