Conclusie A-G Vellinga 30 mei 2006, ECLI:NL:PHR:2006:AV2343
Bewijs van opzet ex art. 207 Sr. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat er op peildatum 21-1-97 in verdachtes winkel geen afd. dierbenodigdheden was met een oppervlakte van 305 m2. Maar uit die bewijsmiddelen kan niet zonder meer worden afgeleid dat verdachtes opzet t.t.v. het afleggen van zijn verklaring op 14-1-03 was gericht op het afleggen van een valse verklaring daaromtrent. Weliswaar heeft verdachte op 14-3-03 m.b.t. die op 14-1-03 afgelegde verklaring, voorzover inhoudende dat “de schets de feitelijke situatie van de indeling van de winkel weergeeft vanaf begin 1996 tot augustus 1998” verklaard dat hij “aan de hand van de getoonde videobeelden, gemaakt op 8-5-96, heeft gezien dat dit niet juist was”, maar de gebezigde bewijsmiddelen sluiten niet uit dat die videobeelden hem pas na het afleggen van zijn verklaring op 14-1-03 zijn getoond. De – op zichzelf niet onbegrijpelijke – vaststelling van het hof dat uit de tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige X blijkt dat verdachte reeds t.t.v. het maken van genoemde video-opname in mei 1996 doende was met het doelbewust verhullen van de juiste omvang van zijn afd. dierbenodigdheden vormt onvoldoende grond om te kunnen aannemen dat verdachte op 14-1-03 t.a.v. die omvang opzettelijk een valse verklaring heeft afgelegd.
De uitspraak op rechtspraak.nl