Conclusie A-G Vellinga 8 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2716

De HR verwerpt onder verwijzing naar de conclusie van de A-G en HR LJN AD5579 het middel, inhoudende dat de Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II t.t.v. het feit nog niet van kracht was, omdat de regeling op 30-3-01, voorafgaand aan plaatsing in de Stcrt., slechts was bekendgemaakt aan de media en dit niet kan gelden als een behoorlijke wijze van bekendmaking. Conclusie A-G: ’s hofs oordeel dat bekendmaking van voornoemde regeling heeft plaatsgevonden conform art. 31 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren en dat deze bepaling niet in strijd is met art. 89 Grondwet en art. 4 Bekendmakingswet alsmede dat de regeling op 30-3-01 en dus vóór de datum van het bewezenverklaarde feit in werking is getreden, zodat ook geen strijd bestaat met art. 7 EVRM, is onjuist noch onbegrijpelijk. Overigens was ingevolge de Wijziging Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 e.a. vóór inwerkingtreding van de onderhavige Tijdelijke regeling landelijke vervoersbeperkingen mond- en klauwzeer 2001 II sinds 24-3-01 om 22.45 uur al een algemeen verbod tot het niet emissie-arm aanwenden van mest van toepassing, dat was gepubliceerd in de Stcrt. Laatstgenoemde regeling heeft het reeds bestaande, landelijk geldende verbod vervolgens beperkt tot bepaalde gebieden. Het verbod was dus hoe dan ook tijdig en behoorlijk bekendgemaakt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen