Conclusie A-G Knigge 1 november 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AU2054
Tardief appèl na ongegrondverklaard bezwaarschrift tegen dagvaarding. 1. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit kan geschieden; die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor appèl door verdachte, zoals i.c., betekent in de regel dat hij niet in dat appèl kan worden ontvangen. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend niet worden verbonden, indien sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen omstandigheden welke de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn (HR NJ 2004, 462). Uit art. 262 jo. 250 Sv volgt dat een reeds uitgebrachte dagvaarding eerst vervalt indien de beschikking op het bezwaarschrift daartegen een onbevoegdverklaring of buitenvervolgingstelling t.a.v. de gehele tenlastelegging inhoudt en deze tevens onherroepelijk is geworden en voorts dat de rb de aanvang van het onderzoek ter terechtzitting eerst uitstelt indien op het tijdstip waartegen verdachte is gedagvaard op het gehele bezwaarschrift nog niet onherroepelijk is beslist. 2. In aanmerking genomen dat op 1-7-03 het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ter terechtzitting van 14-7-03 ongegrond is verklaard, welke beslissing aanstonds onherroepelijk was omdat daartegen geen rechtsmiddel openstaat, was de uitgebrachte dagvaarding niet vervallen en deed zich evenmin de situatie voor dat de PR o.g.v. voormelde art. gehouden was de aanvang van het onderzoek uit te stellen. ’s Hofs vaststelling dat verdachte blijkens het door hem ingediende bezwaarschrift op de hoogte was van de datum van de terechtzitting van 14-7-03 wordt in cassatie niet bestreden. ‘s Hofs oordeel dat geen sprake is van aan verdachte niet toe te rekenen omstandigheden, is onjuist noch onbegrijpelijk. De omstandigheid dat niet blijkt dat de op het bezwaarschrift gegeven beslissing aan verdachte is betekend of op andere wijze te zijner kennis is gekomen doet daaraan niet af. Het hof heeft terecht geoordeeld dat verdachte er niet van mocht uitgaan dat op het bezwaarschrift in voor hem gunstige zin zou worden beslist en voorts dat het op verdachtes weg lag om naar de beschikking en het verdere verloop van de procedure te informeren, nu bij de behandeling daarvan is medegedeeld dat op 1-7-03 op het bezwaarschrift zou worden beslist. De opvatting dat bij de behandeling van het bezwaarschrift aan verdachte had moeten worden meegedeeld dat bij ongegrondverklaring de oorspronkelijke zittingsdatum zou blijven gelden, vindt geen steun in het recht.
De uitspraak op rechtspraak.nl