Conclusie A-G Jörg 16 augustus 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AT6058

Medeplichtigheid aan de moord op Romy van B. 1. Het hof heeft, zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat door het bezoek van de verbalisanten aan de getuigen en het gesprek dat zij hebben gehad (dat voor een deel betrekking had op de lopende strafzaak en in zoverre naar 's hofs oordeel onregelmatig was) geen ernstige inbreuk is gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. 2. Uit de bewijsmiddelen kan, mede gelet op de nadere bewijsoverwegingen, worden afgeleid dat verdachte opzettelijk gelegenheid heeft verschaft tot de moord op Romy van B. De klacht over de laatste volzin van 's hofs nadere bewijsoverwegingen (waarin het hof een bijzondere op verdachte rustende plicht aannam om op Romy te passen) kan niet tot cassatie leiden, omdat het zich keert tegen een grond die 's hofs beslissing m.b.t. de medeplichtigheid niet draagt.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen