Conclusie A-G Jörg 27 september 2005, ECLI:NL:PHR:2005:AS5554

Door afgifte zich ontdoen van bedrijfsafvalstoffen (versnipperd snoeiafval). 1. De enkele omstandigheid dat een afvalstof moet worden beschouwd als een op de Groene lijst van afvalstoffen vermelde afvalstof, brengt niet reeds op zichzelf mee dat daarop het inzamelverbod van art. 4.3.3.11 (oud) Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland niet van toepassing is. Ingevolge lid 2.b van die bepaling is daarvoor immers tevens vereist dat deze stoffen bestemd zijn voor hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen. ’s Hofs oordeel dat het dempen van een sloot met het onderhavige versnipperde snoeiafval niet valt onder hergebruik, terugwinning dan wel andere handelingen gericht op het verkrijgen van secundaire grondstoffen is onjuist noch onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat dit dempen niet valt onder categorie R3 van Bijlage II B bij de Richtlijn 75/442/EEG en evenmin onder een van de overige in die Bijlage omschreven handelingen die onder een nuttige toepassing van afvalstoffen kunnen worden begrepen. 2. De opvatting dat voor de vraag of sprake is van afvalstoffen bestemd voor nuttige toepassing niet van belang is waarvoor die afvalstoffen daadwerkelijk zijn gebruikt, maar beslissend is hetgeen de afgever als gebruik voor ogen stond, vindt geen steun in het recht. Zij zou ook aan een effectieve handhaving van de desbetreffende regels in de weg staan. Het hof heeft uit de bewijsmiddelen en m.n. uit hetgeen het heeft vastgesteld omtrent het feitelijk gebruik dat van de houtsnippers is gemaakt, kunnen afleiden dat de afgifte daarvan door verdachte strekte tot dat gebruik en dat verdachte zich daarvan heeft ontdaan ex art. 10.19 Wet milieubeheer.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen