Conclusie A-G Fokkens 12 september 1995, ECLI:NL:PHR:1995:27

Opzettelijk onjuist doen van aangifte omzetbelasting (art. 69 AWR) en valsheid in geschrift door valse facturen in bedrijfsadministratie op te nemen (art. 225.1 Sr). 1. Verweer dat hof gebruik heeft gemaakt van stukken uit zaken tegen medeverdachten, die niet in dossier van verdachte zijn gevoegd. 2. Verweer strekkende tot nietigverklaring van inleidende dagvaarding o.g.v. art. 257 Sv, nu sluiting van gerechtelijk vooronderzoek en kennisgeving van verdere vervolging niet op de juiste wijze aan verdachte zijn betekend. 3. Had hof zaak moeten terugwijzen naar Rb op grond dat aan raadsman van ttz. in eerste aanleg niet verschenen verdachte aldaar niet woord ter verdediging is gelaten? 4. Bewijsklacht valsheid in geschrift. Leveren inkoop- en verkoopformulieren ‘’samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen’’ op? Ad 1. Hof heeft verweer zonder blijk te geven van onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder niet omtrent art. 6.1 EVRM, op toereikende gronden verworpen. Voor opvatting dat hof in strafzaak tegen verdachte gebruik heeft gemaakt van gegevens die hof bekend zijn geworden tijdens behandeling van strafzaken tegen medeverdachten, is geen feitelijke grondslag aanwezig. Hof heeft in overeenstemming met art. 348 en 350 Sv beraadslaagd en beslist n.a.v. onderzoek ttz. in eerste aanleg en in hoger beroep. Uit daarvan opgemaakte p-v’s blijkt niet dat aldaar de in middel bedoelde stukken, die behoren tot gedingstukken van zaken van medeverdachten, zijn voorgelezen of dat van korte inhoud daarvan mededeling is gedaan. Omstandigheid dat in deze zaak t.a.v. bevoegdheid van rechter, toepassing is gegeven aan art. 6.3 Sv noopte hof niet tot nadere motivering, reeds omdat verweer omtrent die omstandigheid niets inhoudt. Opvatting dat art. 6.1 EVRM meebrengt dat verdediging aanspraak zou kunnen maken op kennisneming van gedingstukken van zaken van medeverdachten, zoals p-v’s van in die zaken gehouden verhoren, is onjuist. Ad 2. Art. 257 Sv ziet niet op betekening van beschikking tot sluiting van gerechtelijk vooronderzoek, noch op die van kennisgeving van verdere vervolging. In het midden kan blijven wat gevolgen zouden moeten zijn van nietigheid van betekening van deze stukken, nu ’s hofs oordeel dat stukken rechtsgeldig zijn betekend niet blijk geeft van onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is. Hof heeft aan mededeling van raadsman dat verdachte ‘’van politie heeft moeten vernemen dat hij op verzoek van politie uit bevolkingsregister is uitgeschreven’’ kennelijk geen geloof gehecht. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen hetgeen hof heeft vastgesteld omtrent bevindingen van degene die getracht heeft een stuk te betekenen aan het door verdachte opgegeven adres. Ad 3. Verzuim van rechter in e.a. brengt in een geval als het onderhavige, waarin verdachte in h.b. gelegenheid heeft gekregen om zich door raadsman te doen verdedigen in nieuwe behandeling van zijn zaak, niet mee dat rechter in h.b. niet aan beraadslaging en beslissing van zaak mag toekomen doch zaak aanstonds moet terugwijzen naar rechter in e.a. (vgl. HR NJ 1995/517). Ad 4. Hof heeft uit feiten en omstandigheden in bewijsmiddelen kunnen afleiden dat inkoopfacturen tot bedrijfsadministratie behoorden en derhalve deel uitmaakten van het door die bedrijfsadministratie gevormde samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen. Dat oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is (ook in het licht van omstandigheid dat inkoop- en verkoopfacturen van elkaar gescheiden werden gehouden) niet onbegrijpelijk.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen