Conclusie A-G Van Dorst 27 juni 1995, ECLI:NL:PHR:1995:14

Gekwalificeerde diefstal, art. 311.1 Sr. Vordering OvJ dat aan verdachte alsnog onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd i.p.v. aan hem opgelegde onbetaalde arbeid ten algemene nutte, art. 22g Sr. Staat ex art. 22h Sr jo. art. 14h t/m 14j Sr h.b. open tegen in vonnis Pr opgenomen beslissing a.b.i. art. 22g Sr? HR ambtshalve: Ex art. 14g.3 Sr is in geval algemene voorwaarde, dat verdachte zich niet schuldig maakt aan strafbaar feit, niet is nageleefd, tot behandeling van vordering tul bevoegd rechter bij wie zaak m.b.t. nieuw feit aanhangig wordt gemaakt en kan die vordering slechts bij gelegenheid van veroordeling t.z.v. dat feit worden toegewezen. Ex art. 361a Sv maakt beslissing omtrent gegrondheid van die vordering deel uit van in strafzaak gegeven uitspraak. I.g.v. overtreding van algemene voorwaarde voorziet wet dus in gevoegde behandeling van vordering tul en (nieuwe) strafzaak. Vordering tul slechts o.g.v. niet-naleving van bijzondere voorwaarde kan ex art. 14g.3 Sr uitsluitend worden ingediend bij rechter die voorwaarde heeft opgelegd. Wet voorziet niet in mogelijkheid dat behandeling van zodanige vordering wordt gevoegd met behandeling van nieuwe strafzaak. Op zodanige vordering dient derhalve afzonderlijke beslissing te worden gegeven. Ex art. 14j.1 Sr zijn beslissingen tot tul, v.zv. zij geen deel uitmaken van uitspraken t.z.v. andere strafbare feiten, niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat alleen beslissing m.b.t. gegrondheid van vordering tul van voorwaardelijk opgelegde straf wegens niet-naleving van algemene voorwaarde deel kan uitmaken van uitspraak t.z.v. andere strafbare feiten, zodat art. 14j Sr slechts tegen zodanige beslissing rechtsmiddel openstelt, waarbij dat rechtsmiddel slechts tegen uitspraak in haar geheel kan worden ingesteld (vgl. HR NJ 1994/233 en HR NJ 1994/675). Een i.g.v. niet-naleving van bijzondere voorwaarde gegeven beslissing op vordering tul is dus ex de in art. 14j Sr vooropgestelde hoofdregel niet aan enig rechtsmiddel onderworpen. Gelet op wetsgeschiedenis bij aanvulling van WvSr met straf van onbetaalde arbeid moet systeem van de wet aldus worden opgevat dat op vordering van OM a.b.i. art. 22g Sr afzonderlijk dient te worden beslist en dat die beslissing evenmin aan enig rechtsmiddel onderworpen is. Hieruit volgt dat tegen de door Pr gegeven beslissing op vordering a.b.i. art. 22g Sr geen rechtsmiddel openstond. Hof had derhalve OvJ n-o dienen te verklaren in zijn beroep, v.zv. dat was gericht tegen beslissing van Pr tot afwijzing van vordering a.b.i. art. 22g Sr. HR doet wat Hof had behoren te doen. Volgt partiële vernietiging.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen