Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba 27 november 2006, ECLI:NL:OGHNAA:2006:BG1993
Verlening bouwvergunning voor het oprichten van een appartementencomplex. 1) Het Gerecht heeft appellant ten onrechte niet als belanghebbende aangemerkt, nu zijn woning is gelegen naast het aan het bouwperceel grenzende perceel, derhalve in de directe nabijheid van het bouwperceel. 2) Beslissing van het Bestuurscollege waarbij voor de toepassing van artikel 22, aanhef en onder 5° van de Bouw- en woningverordening maximale bouwhoogtes zijn vastgesteld dient te worden aangemerkt als het door het Bestuurscollege terzake gevoerde beleid, waaraan ook het onderhavig bouwplan diende te worden getoetst. 3) De krachtens artikel 22, aanhef en onder 5° van de Bouw- en woningverordening te stellen welstandseisen mogen niet zover gaan, dat zij leiden tot een inperking van de bouwmogelijkheden die deze verordening nu eenmaal biedt. Nu de bezwaren van appellanten zich uitsluitend richten tegen uit de Bouw- en woningverordening voortvloeiende bouwmogelijkheid, heeft het Bestuurscollege voor zijn welstandsoordeel mogen volstaan met de verwijzing naar het advies van zijn afdeling Bouw- en woningtoezicht. 4) In aanmerking genomen dat het Bestuurscollege aan de beschikking van 7 oktober 2005 hangende beroep alsnog een nadere motivering ten grondslag heeft gelegd, waarin op de bezwaren van appellanten is ingegaan en deze motivering die beschikking kan dragen, heeft het Gerecht het aan de vernietiging ten grondslag liggende gebrek ten tijde van haar uitspraak terecht als geheeld beschouwd en heeft het de rechtsgevolgen van de vernietigde beschikking terecht in stand gelaten. Aangevallen uitspraak vernietigd en voor het overige bevestigd.