Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 6 augustus 2021, ECLI:NL:OGHACMB:2021:324

Belanghebbende is een vennootschap die gevestigd is op Aruba. Belanghebbende heeft bedrijfsactiviteiten die bestaan uit de exploitatie van een badkamertegelwinkel. CIM SA, gevestigd in Zwitserland, bezit 99,5% van de aandelen in belanghebbende. CIM SA heeft een bedrag van Afl. 925.335 als lening aan belanghebbende verstrekt. In hoger beroep is evenals in eerste aanleg tussen partijen in geschil of de navorderingsaanslag terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende stelt in hoger beroep dat de lening van de aanvang af alle kenmerken van kapitaal heeft gehad en dat de vermelding als ‘lening’ in de balansen van belanghebbende feitelijk onjuist was. Verder stelt belanghebbende dat indien fiscaalrechtelijk sprake zou zijn van een lening en dus een schuld van belanghebbende, deze schuld ultimo 2011 en 2012 nog steeds bestaat omdat er nooit een kwijtschelding van die schuld heeft plaatsgevonden. Zoals het Gerecht terecht heeft geoordeeld heeft belanghebbende met hetgeen zij daartoe heeft aangevoerd, niet overtuigend aangetoond dat partijen slechts in schijn een lening zijn overeengekomen. Belanghebbende heeft ter onderbouwing van de stelling dat sprake zou zijn van een deelnemerschapslening volstrekt onvoldoende gesteld en die stelling daarmee evenmin aannemelijk gemaakt laat staan die stelling overtuigend aangetoond. Belanghebbende heeft in eerste instantie in het geheel geen aangifte WB 2011 gedaan. Pas op 6 juni 2018 heeft belanghebbende alsnog de gegevens voor de aangifte WB voor het jaar 2011 verstrekt. Nu sprake is van een onjuiste waardering van de schuld op de winstbepalende balans, stond het de Inspecteur vrij om met toepassing van de zogenoemde foutenleer, de afwaardering van de schuld in 2012 in aanmerking te nemen. Gelet op al het voorgaande is het hoger beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde uitspraken