Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 20 februari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:40
Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag winstbelasting opgelegd, alsmede een (verzuim)boete van Naf. 1.508. De verzuimboete bedraagt 15% van de verschuldigde belasting. De boete is gegrond op het feit dat de belasting niet tijdig is betaald. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is mede rekening gehouden met het feit dat drie jaar achtereen een verzuim is gepleegd. De verzuimen betreffen een aangifteverzuim in 2010 en betalingsverzuimen in 2011 en 2012. Het boetebeleid is neergelegd in de Ministeriële regeling formeel belastingrecht. Ingevolge die regeling wordt een betalingsverzuim (veel) zwaarder bestraft dan een aangifteverzuim. Bij het bepalen van de hoogte van de boete is de Inspecteur uitgegaan van drie verzuimen, als ware het drie betalingsverzuimen. De Rechtbank is uitgegaan van twee betalingsverzuimen en heeft de boete bepaald op 10% van de verschuldigde belasting (Naf. 1.005). De Inspecteur heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof stelt de Inspecteur deels in het gelijk. Het neemt bij de bepaling van de hoogte van de boete twee betalingsverzuimen in aanmerking. Het Hof houdt ook rekening met het aangifteverzuim, maar neemt in aanmerking dat dit vergrijp lager wordt beboet dan een betalingsverzuim. Zodoende bepaalt het Hof de boete op Naf. 1.255; deze boete acht het Hof passend en geboden.