Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 januari 2018, ECLI:NL:OGHACMB:2018:28
Belanghebbende is ingezetene van Curaçao. Hij geniet onder andere een pensioen van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) in Nederland. Belanghebbendes echtgenote is in december 2008 in verband met een ernstige ziekte naar Nederland verhuisd. Zij is daarna niet meer in Curaçao geweest. Belanghebbende is sindsdien in Curaçao blijven wonen. In de periode 2009 tot en met 2013 heeft belanghebbende twee keer in Nederland bezocht. Het ABP-pensioen wordt gestort op een gezamenlijke bankrekening van belanghebbende en zijn echtgenote. Uit de bankafschriften blijken nagenoeg uitsluitend opnames en afschrijvingen in Nederland. In geschil zijn de aanslagen IB, AOV en AVBZ 2009 en de aanslag BVZ 2013, en meer in bijzonder het antwoord op de vraag of belanghebbende en zijn echtgenote geacht moeten zijn te zijn gescheiden van tafel en bed. Indien dat het geval is, is in geschil of belanghebbende dan recht heeft op aftrek van een alimentatie ter grootte van de netto ABP-inkomsten. Voor het jaar 2009 concludeert het Hof, evenals het Gerecht, dat in het jaar 2009 geen sprake was duurzaam gescheiden leven en derhalve evenmin van aftrekbare alimentatiebetalingen. Alsdan zijn de aanslagen IB, AOV en AVBZ 2009 juist opgelegd. Voor het jaar 2013 gaat het Hof er veronderstellenderwijs vanuit dat belanghebbende en zijn echtgenote duurzaam gescheiden leven. Ook in dat geval leidt dat niet tot een verlaging van de aanslag BVZ 2013, omdat bij de bepaling van de grondslag voor de premie BVZ dient uit te worden gegaan van het inkomen, bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943. Dit is het inkomen vóór aftrek van de alimentatie. De Inspecteur heeft over de juiste grondslag premie BVZ geheven.
De uitspraak op rechtspraak.nl