Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 8 mei 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:83

In het voetspoor van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (onder meer uitspraak van 5 oktober 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BT6673 en 3 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2158) overweegt het Hof dat de verlening van het Nederlanderschap, gelet op de daaraan verbonden gevolgen, een zaak van groot gewicht is en dat de minister daarom bevoegd is om te eisen dat de desbetreffende verzoeker op de in artikel 31, vijfde lid, van het Besluit en de Handleiding neergelegde wijze zijn identiteit en nationaliteit aantoont, door het overleggen van een gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte. Niet vaststaat dat appellante bij de inschrijving in de basisadministratie de juistheid van de in de geboorteakten opgenomen persoonsgegevens heeft bewezen. Voorts heeft het Gerecht terecht overwogen dat appellante door verschillende geboorteakten over te leggen waarin twee ratificatievonnissen met verschillende data worden genoemd, in deze procedure zodanige twijfel heeft veroorzaakt over de wijze waarop de persoonsgegevens na de tardieve aangifte van geboorte zijn geverifieerd en geautoriseerd, dat de minister terecht van appellante verlangt dat zij een verklaring geeft voor het bestaan van twee ratificatievonnissen en een afschrift van het ratificatievonnis van 22 december 1992 overlegt ten einde de juistheid van de verstrekte persoonsgegevens te bewijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken