Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 22 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:187
Duur ongewenstverklaring. Artikel 2, vierde lid, van het Toelatingsbesluit, biedt de grondslag voor ongewenstverklaring van vreemdelingen, ook van vreemdelingen met zware criminele antecedenten. In de Richtlijnen van de minister met betrekking tot de toepassing van de Ltu en het Toelatingsbesluit van mei 2012 is echter niet opgenomen dat de termijn van ongewenstverklaring voor vreemdelingen met zware criminele antecedenten is vastgesteld op tien jaar. De Richtlijnen voorzien bij de uitoefening van deze bevoegdheid uitsluitend in een ongewenstverklaring voor een termijn van maximaal drie jaar. De minister kan gelet op het belang van de rechtszekerheid aan vreemdelingen met zware criminele antecedenten een ongewenstverklaring voor een termijn van tien jaar niet zonder basis in de Richtlijnen opleggen. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de minister bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid gebruik kan maken van de bevoegdheid appellant voor de in de Richtlijnen voorziene maximale termijn van drie jaar ongewenst te verklaren. Geen schending artikel 8 EVRM. Zelf voorziend wordt de ongewenstverklaring gesteld op drie jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl