Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 25 januari 2011, ECLI:NL:OGHACMB:2011:BQ0628

Geschil betreft een verzoek van appellante aan de minister van Justitie om haar vergunning tot tijdelijk verblijf te verlenen. Vreemdeling is de Nederlandse Antillen op 21 september 2005 binnengekomen op een visum en bevond zich jarenlang op Curaçao zonder geldige verblijfstitel. Uit de ministeriële beschikking van 15 maart 2001 blijkt dat buitenlandse echtgenoten van Antilliaanse Nederlanders na het indienen van een dergelijk verzoek de uitslag niet te lande mogen blijven afwachten. Een beroep om op haar gezinssituatie faalt, ze wist op het moment dat ze trouwde al dat het gezinsleven mogelijk niet in Curaçao zou kunnen plaatsvinden. Het Hof bevestigt het vonnis.

De uitspraak op rechtspraak.nl