Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten 30 maart 2022, ECLI:NL:OGEAM:2022:33
n geschil is of belanghebbende ten aanzien van de werknemer voor de tijdvakken december 2019 en januari 2020 de juiste bedragen aan loonbelasting en premie AVBZ heeft ingehouden en afgedragen. Belanghebbende stelt dat de ex-patriate status van de werknemer (Beschikking ex-patriates Sint Maarten 2009, P.B. 2010/66) ten onrechte niet is verlengd en dat te veel loonbelasting en premie AVBZ is afgedragen. De Inspecteur stelt dat de werknemer niet over de ex-patriate status beschikte en dat derhalve de juiste bedragen zijn ingehouden. Het Gerecht oordeelt dat de werknemer voor (nogmaals) de periode van vijf jaar, recht heeft op de ex-patriate status. Belanghebbende is geslaagd in haar bewijslast en heeft aannemelijk gemaakt dat ten gevolge van het voortdurend gebrek aan specifieke deskundigheid op de arbeidsmarkt in Sint Maarten, het noodzakelijk is dat de tewerkstelling van de ex-patriate (ervaren fiscaal jurist) wordt verlengd (artikel 5, lid 2 van de Beschikking ex-patriates Sint Maarten 2009, P.B. 2010/66). In de ALL wordt niet geregeld aan wie in het onderhavige geval (de inhoudingsplichtige of de werknemer) de teruggaaf van loonbelasting dient te worden verleend. Er wordt daarom aansluiting gezocht bij de Nederlandse regeling van artikel 27f Algemene wet inzake rijksbelastingen. De teruggaaf van de loonbelasting voor het tijdvak december 2019 dient aan belanghebbende te worden verleend. Immers, de werknemer heeft zijn beroep inzake dit tijdvak ingetrokken. De teruggaaf voor het tijdvak januari 2020 dient aan de werknemer te worden verleend (zie uitspraak van 30 maart 2022 BBZ nrs. SXM202001280, SXM202001282 en SXM202001284).
De uitspraak op rechtspraak.nl