Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 juni 2026, ECLI:NL:OGEAC:2026:144
De bestreden beschikking bestaat uit twee componenten, namelijk de beslissing van de SVB op het bezwaar van eiser tegen de primaire beschikking en de beslissing van de SVB op het verzoek van eiser om schadevergoeding. Beroep tegen de ongegrondverklaring van eisers bezwaren is ongegrond. Voor zover het beroep is gericht tegen de afwijzing van eisers verzoek om schadevergoeding, is het Gerecht onbevoegd om daarvan kennis te nemen. De SVB heeft de beslissing over de invorderbaarheid van het achterstallig pensioen en de kerstuitkeringen genomen op grond van en conform dwingendrechtelijke bepalingen van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering (Lv AOV). Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt niet. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die niet zijn verdisconteerd door de wetgever op grond waarvan de verjaringsartikelen van de Lv AOV buiten toepassing hadden moeten blijven. Het is niet aan de bestuursrechter om te oordelen over de beslissing van de SVB over het verzoek om schadevergoeding van eiser. Volgens eiser is de oorzaak van de schade gelegen in het nalaten van de SVB om eiser te informeren over de sluiting van de Girobank. De gestelde schadeoorzaak betreft geen (beweerdelijk onrechtmatige) beschikking maar (het nalaten van) een feitelijke handeling. Dat betekent dat de beslissing op bezwaar van de SVB van 26 augustus 2025, voor zover daarbij het verzoek om schadevergoeding van eiser is afgewezen, geen beschikking is waarover de bestuursrechter kan oordelen. De burgerlijke rechter is bevoegd om over het verzoek tot schadevergoeding te oordelen.
De uitspraak op rechtspraak.nl