Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 24 augustus 2021, ECLI:NL:OGEAC:2021:181
Belanghebbende drijft een onderneming met een vaste inrichting op Curaçao. Aldaar exploiteert zij een fastfood restaurant. In geschil is of OB verschuldigd is over de door belanghebbende aan de franchisegever betaalde royalty’s en over de betaalde vergoeding voor administratieve diensten en of daarover terecht vergrijpboetes zijn opgelegd. Belanghebbende heeft een vaste inrichting in Curaçao en de franshisegever is in de Verenigde Staten gevestigd. Op grond van artikel 4, lid 4 LOB en artikel 11, lid 2 OB is OB verschuldigd over de royalty’s. Er is immers een rechtstreeks verband tussen de vergoeding en de prestatie. Belanghebbende heeft ter zake wel een pleitbaar standpunt ingenomen zodat geen vergrijpboete kan worden opgelegd. Belanghebbende heeft met betrekking tot de administratieve diensten gesteld dat er een cost sharing agreement is, maar heeft daarvan geen bewijs geleverd, zodat OB verschuldigd is over de door haar betaalde vergoeding voor de administratieve diensten. Er is sprake van grove schuld, zodat voor de kosten van administratieve diensten de boete terecht is vastgesteld op 25% van de nageheven belasting.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 29 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:970
- Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 21 juni 2017, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54
- HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638
- HR 25 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:981
- HR 12 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ6822
- Raad van Beroep voor Belastingzaken (Nederlandse Antillen en Aruba) 10 augustus 2004, ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT7674
- HR 1 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD9708
- HvJ EU, ECLI:EU:C:1981:38
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:22