Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 18 februari 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:81
Belanghebbende betoogt dat op grond van artikel 39 van de Belastingregeling voor het Koninkrijk bij de berekening van zijn belastbaar inkomen rekening moet worden gehouden met de aftrekken wegens de door hem gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering en uitgaven ter zake van het overlijden van zijn kind. Verder betoogt belanghebbende dat bij de berekening van de verschuldigde inkomstenbelasting de ouderentoeslag in aanmerking genomen moet worden. Het Gerecht is van oordeel dat de door belanghebbende gedane uitgaven ter zake van premies levensverzekering en ter zake van het overlijden van zijn dochter, geen uitgaven betreffen die voortvloeien uit een uit het familierecht voortvloeiende wettelijke verplichting. De Inspecteur heeft daarom terecht geen rekening gehouden met deze uitgaven. Ook de ouderentoeslag betref geen tegemoetkoming die verband houdt met een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Belanghebbende heeft daarom ook geen recht op ouderentoeslag. Het beroep is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl