Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 20 december 2019, ECLI:NL:OGEAC:2019:286
In het onderhavige geval is in de sfeer van de inkomstenbelasting een winstuitdeling van de NV aan de directeur-aandeelhouder (belanghebbende) aan de orde. Aan de directeur-aandeelhouder kan in de inkomstenbelastingsfeer niet worden tegengeworpen dat de NV niet aan haar administratieplicht zou hebben voldaan. De omkering en verzwaring van de bewijslast kan in het onderhavige geval dus niet aan de orde zijn wegens schending van de administratieplicht door de NV. Het Gerecht acht verder aannemelijk dat de betrokken partijen – de NV en belanghebbende – zich van de vermogensverschuiving bewust moeten zijn geweest. Redengevend daarvoor is dat de NV en belanghebbende als directeur-aandeelhouder van de NV, voor wat betreft wetenschap kunnen worden vereenzelvigd en dat aannemelijk is dat belanghebbende zich ervan bewust was, mede gelet op de omvang van de uitdeling, dat middelen aan de NV zijn onttrokken om belanghebbende in zijn hoedanigheid van aandeelhouder te bevoordelen. Het Gerecht acht derhalve een (verkapte) winstuitdeling aanwezig. Het Gerecht oordeelt dat de Inspecteur de onderhavige navorderingsaanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Voorts oordeelt het Gerecht dat belanghebbende, door deze verkapte winstuitdelingen niet in zijn aangiften inkomstenbelasting op te nemen, zich ervan bewust was dat te weinig inkomstenbelasting zou worden geheven. Daarom is sprake van opzet, zodat een boete van 25% niet te hoog is vastgesteld. Een dergelijke boete is in overeenstemming met de ernst van het vergrijp.
De uitspraak op rechtspraak.nl