Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 10 september 2021, ECLI:NL:OGEAA:2021:401
De wet biedt de werkgever de mogelijkheid om naar eigen keuze een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen via een opzegging op grond van artikel 7A:1615g BW (en na verkregen toestemming van de Directeur) dan wel via een ontbinding op grond van artikel 7A:1615w BW. In het geval er sprake is van een collectief ontslag is de werkgever niet verplicht om de weg via de Directeur te bewandelen om een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De procedure inzake een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 7A:1615w BW is een op snelheid gerichte procedure, waarin na de mondelinge behandeling in beginsel geen plaats is voor een nadere aktewisseling ter verdere onderbouwing van standpunten en evenmin voor bewijslevering door middel van getuigen dan wel een deskundigenonderzoek. Dat brengt mee dat een werkgever die ervoor kiest om ontbinding te verzoeken van een of meer arbeidsovereenkomsten met werknemers, reeds in het verzoekschrift voldoende concrete feiten moet stellen, onderbouwd met schriftelijke bescheiden, die een toewijzing van het verzoek kunnen dragen. Indien onvoldoende feiten worden gesteld of indien gestelde feiten (wegens bijvoorbeeld het ontbreken van schriftelijke bewijsstukken) na het partijdebat niet voldoende aannemelijk zijn geworden, dan zal dat in beginsel leiden tot een afwijzing van het verzoek, zonder dat de werkgever na de mondelinge behandeling in de gelegenheid zal worden gesteld om zijn verzoek nader feitelijk te onderbouwen of om bewijs te leveren. Indien in het kader van een reorganisatie op bedrijfseconomische gronden formatieplaatsen komen te vervallen en op die grond arbeidsovereenkomsten met werknemers moeten worden beëindigd, dan mag van de werkgever worden verwacht dat de selectie van werknemers die voor ontslag worden voorgedragen via een objectieve selectiemethode en op een zorgvuldige wijze plaatsvindt.
De uitspraak op rechtspraak.nl