Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 29 januari 2018, ECLI:NL:OGEAA:2018:77

Appellante stelt zich, onder verwijzing naar HR 24 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8448, op het standpunt dat zij voor de toepassing van de voor de Nederlandse Antillen geldende Landsverordening toelating en uitzetting moet worden gelijkgesteld aan een in de Nederlandse Antillen geboren Nederlander en als zodanig niet toelatingsplichtig was, althans dat haar destijds een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd had moeten worden verleend in plaats van een vergunning voor bepaalde tijd. Zij heeft daartoe gewezen op de omstandigheid dat zij gehuwd was met een in de Nederlandse Antillen tot Nederlander genaturaliseerde persoon. Het gerecht is van oordeel dat uit voormeld arrest, noch uit latere rechtspraak, voortvloeit dat ook de echtgenoot van een in de Nederlandse Antillen geboren Nederlander of een aldaar tot Nederlander genaturaliseerde persoon niet toelatingsplichtig was of dat aan deze een vergunning tot verblijf voor onbepaalde tijd diende te worden verleend.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken