HR 9 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:899

Strafrechtelijk onderzoek “Eris” naar 5 liquidaties in 2017 en plannen om andere personen te vermoorden. Voorbereiding van moord en medeplichtigheid aan medeplegen moord, art. 289 Sr. 1. Rechtmatigheid van kroongetuigeovereenkomst en verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM vanwege verlaagde basisstrafeis en niet instellen van ontnemingsvordering. 2. Vormverzuimen o.b.v. ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’, art. 359a Sv. 3. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan en op nadere tz. in h.b. herhaald verzoek tot inzage van ‘bibliotheekdossier’, op de grond dat verdediging onvoldoende concreet heeft aangegeven welke door OM verstrekte processtukken onvolledig zijn of welke (proces)stukken bij de in dossier gevoegde processtukken ontbreken. 3. Bewijsklachten voorbereiding van moord en medeplichtigheid aan medeplegen moord t.a.v. vaststellingen en conclusies van hof, opzet en voorbedachte raad, betrouwbaarheid van verklaringen van kroongetuige en alternatief scenario. 4. Afwijzing van ttz. in h.b. (voorwaardelijk) gedaan verzoek tot horen van getuige, op de grond dat dit niet noodzakelijk is voor volledigheid van onderzoek. 5. Levert gebruik van verklaringen van kroongetuige over betrokkenheid van lokker een schending op van art. 6.3.d EVRM, nu verdediging de bron van deze informatie niet effectief heeft kunnen ondervragen? 6. Voldoet proces als geheel aan eisen van art. 6 EVRM? 7. Kwalificatieklacht. Kon hof oordelen dat feiten niet moeten worden beschouwd als voortgezette handeling? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00523, 25/00537, 25/00542, 25/00579, 25/00658, 25/00659, 25/00667, 25/00689 en 25/00690.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 25/00524
Datum 9 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2025, nummer 21-003047-22, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten N. van Schaik en H. Brentjes bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren R. Kuiper en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 juni 2026.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken