HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:689
Doodslag door in 2020 in Arnhem met vuurwapen te schieten in richting van zijn partner, art. 287 Sr. 1. Bewijsklacht opzet. Heeft verdachte aanmerkelijke kans op dood bewust aanvaard, nu hij dacht dat wapen op veiligheidspal stond? 2. Schriftuur benadeelde partij. Kunnen klachten over beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van vordering b.p. worden aangemerkt als middel a.b.i. wet? Ad 1. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2003:AE9049 en HR:1954:1 m.b.t. voorwaardelijk opzet op gevolg, maatstaf van aanmerkelijke kans en vraag of sprake is van bewuste aanvaarding van zo’n kans. Bewijsvoering komt er op neer dat hof heeft vastgesteld dat verdachte wist dat vuurwapen echt wapen was dat functioneerde en dat geladen was met scherpe patronen. Verder heeft hof vastgesteld dat vuurwapen schietklaar was en dat verdachte, nadat hij met gestrekte arm wapen had gericht op slachtoffer, trekker heeft overgehaald. Hof heeft geoordeeld dat samenstel van gedragingen van verdachte naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer was gericht op fataal gevolg dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte aanmerkelijke kans op dat gevolg bewust heeft aanvaard, en dat verdachte daarom handelde met (voorwaardelijk) opzet op dood van slachtoffer, ook als dat overhalen van trekker gebeurde i.h.k.v. grap en verdachte eerder had gehoord (en er daarom “van uitging”) dat wapen op “veiligheidspal” stond. In het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting. Oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat in ’s hofs overwegingen als zijn oordeel besloten ligt dat verdachte wist dat het ging om gevaarlijk voorwerp in de vorm van geladen vuurwapen, dat hij (door niet na te gaan of wapen op veiligheidspal stond en ook geen andere “veiligheidschecks” uit te voeren) ook wist dat niet was uitgesloten dat wapen zou kunnen afgaan, en dat hij daarmee aanmerkelijke kans dat hij, door richtend op slachtoffer trekker over te halen, slachtoffer dodelijk zou raken, bewust heeft aanvaard. Ad 2. Als cassatierechter onderzoekt HR alleen middelen a.b.i. wet. Dat geldt ook voor middelen a.b.i. art. 437.3 Sv. Als zo’n middel kan alleen gelden stellige en duidelijke klacht over rechtspunt betreffende haar vordering. Schriftuur voldoet niet aan dit vereiste, zodat deze onbesproken moet blijven. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl