HR 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:685
Winkeldiefstal (art. 310 Sr) en schuldwitwassen van kleding (art. 420quater.1.b Sr). Dubbel verstek. Betekening dagvaarding in hoger beroep, art. 36e.1.b.2 Sv. Had dagvaarding in h.b. moeten worden betekend op het door verdachte bij zijn verhoor door politie opgegeven adres? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD5163 m.b.t. betekening van dagvaarding in geval van verdachte een (feitelijke) woon- of verblijfplaats bekend is. Uit stukken moet worden afgeleid dat verdachte t.t.v. betekenen van dagvaarding niet was gedetineerd, dat hij niet stond ingeschreven in BRP en dat van hem adres uit stukken blijkt, dat voor de hand ligt en redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van verdachte zou kunnen gelden, namelijk adres dat verdachte bij zijn verhoor door politie heeft opgegeven. Uit stukken volgt echter niet dat dagvaarding in h.b. ter uitreiking is aangeboden op dat adres van verdachte. Oordeel van hof dat dagvaarding in h.b. geldig is betekend is daarom niet begrijpelijk. Daaraan doet niet af dat afschrift van dagvaarding naar genoemd adres is verzonden, nu deze verzending geen deel uitmaakt van betekening. HR verklaart betekening van dagvaarding in h.b. nietig. CAG (strekking): nietigverklaring van dagvaarding in h.b.
De uitspraak op rechtspraak.nl