HR 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:46

Caribische zaak. Als parlementslid van Sint Maarten deelnemen aan aannemingen of leveranties waarover hem op tijdstip van handeling geheel of ten dele bestuur of toezicht is opgedragen (art. 2:361 SrSM). 1. Is aan verdachte “bestuur of toezicht opgedragen”? 2. Bewijsklacht deelneming. Volstaat “indirect financieel belang” bij aanneming of leverantie voor bewezenverklaring van “deelneming” a.b.i. art. 2:361 SrSM? Ad 1. Gelet op totstandkomingsgeschiedenis van inhoudelijk gelijk art. 376 Sr strekt strafbepaling van (art. 376 Sr en) art. 2:361 SrSM ertoe te voorkomen dat ambtenaar, als hij deelneemt aan aannemingen of leveranties waarover hem bestuur of toezicht is opgedragen, zijn onpartijdigheid in gevaar brengt en risico bestaat dat betreffende aannemingen of leveranties “ondeugdelijk werk of slechte waar” kunnen opleveren. O.g.v. art. 1:205.3 SrSM (en art. 84.1 Sr) kan lid van algemeen vertegenwoordigend orgaan worden aangemerkt als ambtenaar a.b.i. art. 2:361 SrSM (en art. 376 Sr). In art. 2:361 SrSM (en art. 376 Sr) bedoelde deelneming kan middellijk of onmiddellijk plaatsvinden. Deze strafbepaling strekt zich daarom uit tot ambtenaar die geen actieve rol speelt bij betreffende aannemingen of leveranties maar daarbij wel (rechtstreeks) persoonlijk financieel belang heeft (vgl. HR:1956:152). Hof heeft vastgesteld dat verdachte sinds oktober 2010 lid was van Staten van Sint Maarten en van parlementscommissie Toerisme, Economische Zaken, Transport en Telecommunicatie. Samen met A heeft verdachte bedrijf B opgericht. In december 2011 zijn verdachte en A via bedrijf B voor 35% aandeelhouder geworden van vennootschap C. Op 16-3-2012 heeft openbare rechtspersoon D aan vennootschap C nummerbeheerplan van Sint Maarten uitbesteed. Betreffende overeenkomst hield in dat openbare rechtspersoon D jaarlijks USD 90.000 aan vennootschap C zou gaan betalen. Verdachte heeft nagelaten belang in vennootschap C te melden op moment dat overeenkomst werd gesloten, terwijl vennootschap C door overeenkomst met openbare rechtspersoon D deel van overheidstaak ging uitvoeren waarvoor openbare rechtspersoon D direct verantwoording schuldig was aan minister van TEATT, en verdachte op dat moment Statenlid was en ook lid van parlementaire commissie TEATT. Over deze overeenkomst is door COO van openbare rechtspersoon D verklaard dat deze “foute boel” was omdat uitbesteding van nummerbeheerplan er niet toe leidde dat openbare rechtspersoon D inkomsten genereerde, maar dat openbare rechtspersoon D daarvoor ging betalen. Vanaf 2014 is door vennootschap C dividend uitgekeerd (via bedrijf B) aan verdachte. N.a.v. achterblijvende afdrachten van openbare rechtspersoon D aan Land Sint Maarten heeft Algemene Rekenkamer van Sint Maarten in oktober 2015 rapport uitgebracht waarin verslag is gedaan van “audit naar Governance van openbare rechtspersoon D”. Dat rapport houdt o.m. in dat “aantal van bevindingen opmerkelijk en zelfs ontstellend [is] te noemen. Rekenkamer is van mening dat op gebied van externe governance de minister van TEATT, directeur van openbare rechtspersoon D en Parlement nog grote stappen te maken hebben. Vooral t.a.v. nemen van verantwoordelijkheid en nakomen van wettelijke verplichtingen.” Verdachte heeft als parlementslid geen aanleiding gezien om onderzoek naar (dis)functioneren van openbare rechtspersoon D te gelasten, ook niet nadat hij kennis had gekregen van rapport van Algemene Rekenkamer, waarin naar voren kwam dat afdrachten van openbare rechtspersoon D aan Land achterbleven bij geprojecteerde prognoses, wat o.m. was gebleken uit Landsbegrotingen 2011 tot en met 2015 waarop verdachte als Statenlid ook toezicht had. In licht van deze vaststellingen heeft hof overwogen dat aan verdachte, i.h.k.v. lidmaatschap van Staten en van parlementscommissie TEATT, toezicht en controle was opgedragen over minister van TEATT en onder die minister ressorterende beleidsterreinen, waaronder openbare rechtspersoon D. Tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt ’s hofs oordeel dat aan verdachte als Statenlid en dus als ambtenaar a.b.i. art. 2:361 SrSM “toezicht was opgedragen” over de door openbare rechtspersoon D gesloten overeenkomsten waaronder contract van 16-3-2012 tussen openbare rechtspersoon D en vennootschap C, alsmede over financiële consequenties voor Land daarvan, niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Ad 2. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat verdachte (via aandeelhouderschap in bedrijf B) dividend van vennootschap C heeft uitgekeerd gekregen naar aanleiding van overeenkomst tussen openbare rechtspersoon D en vennootschap C. Volgt verwerping. Samenhang met 24/01923 PC.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken