HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:33
Doodslag door slachtoffer met vuurwapen door zijn hoofd te schieten (art. 287 Sr) en medeplegen van wegvoeren en verbergen van lijk (art. 151 Sr). Vordering benadeelde partij t.a.v. vergoeding van affectieschade. Kan b.p. (zus van slachtoffer) worden aangemerkt als ‘naaste’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2025:1619 m.b.t. kring van personen die recht hebben op vergoeding van affectieschade, waaronder ‘andere persoon’ die in zodanig nauwe persoonlijke relatie tot slachtoffer staat, dat uit eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat ook hij wordt aangemerkt als naaste die recht heeft op vergoeding van affectieschade. Hof heeft vastgesteld dat b.p. en haar broer nog geen jaar in leeftijd verschilden. Zij hebben geen gemakkelijke jeugd gehad en kwamen bij hun oma te wonen toen hun ouders in 2017 naar Suriname verhuisden. Vanaf die periode heeft b.p. een deel van taken overgenomen die bij hun ouders hoorden. Haar broer, die ADHD had, vond bij haar steun die hij van zijn ouders miste. Zij woonden tot aan zijn overlijden onafscheidelijk in gezinsverband samen en waren van plan om na het verhuizen van hun oma samen te blijven. Na overlijden van haar broer heeft b.p. (i.v.m. zijn overlijden en ook rondom strafzaak) rol vervuld die past bij bijzondere en hechte affectieve relatie die zij hadden. O.g.v. deze vaststellingen heeft hof geoordeeld dat specifieke omstandigheden van b.p. zo uitzonderlijk zijn dat deze beroep op ‘hardheidsclausule’ a.b.i. art. 6:108.4.g BW rechtvaardigen. In het licht van wetsgeschiedenis van art. 6:107 en 6:108 BW en tegen achtergrond van wat hiervoor is vooropgesteld, getuigt dat oordeel niet van onjuiste rechtsopvatting en is het toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl