HR 30 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:1118

Medeplegen diefstal met geweld (art. 312.2.2 Sr) en medeplegen poging tot afpersing (art. 317.3 jo. 312.2.2 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten. 1. Bewijsminimum, art. 342.2 Sv. Vindt verklaring van aangever voldoende steun in ander bewijsmateriaal? 2. Denaturering van verklaring van aangever. Heeft hof aan verklaring van aangever een andere betekenis gegeven dan dat aangever kennelijk heeft bedoeld te geven? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Ad 1. Er is geen sprake van schending van art. 342.2 Sv. Hof heeft bewezenverklaarde (naast verklaring van aangever) gestoeld op getuigenverklaring van A waaruit kan worden afgeleid dat aangever een afspraak had met verdachte en dat hij adres van aangever aan verdachte heeft gegeven, getuigenverklaring van B waaruit volgt dat aangever op avond waarop delict is gepleegd met een voor getuige onbekende man (die zich voorstelde met naam van verdachte) is meegegaan vanuit huis, historische verkeersgegevens van telefoonnummers van verdachte en aangever en letselverklaringen waaruit volgt dat bij aangever meerdere (steek)verwondingen zijn geconstateerd. Ad 2. Aangever heeft verklaard dat degene op bijrijdersstoel zijn telefoon heeft gepakt. Hof heeft gezien deze verklaring niet onbegrijpelijk overwogen dat aangever daarmee heeft verklaard dat zijn telefoon van hem is afgenomen. Omstandigheden dat het onduidelijk is gebleven wat zich daarna met telefoon heeft afgespeeld en dat aangever heeft verklaard dat hij bij verlaten van auto zijn telefoon heeft verloren, doen daaraan niet af. Van denaturering (het door rechter aan verklaring van aangever geven van wezenlijk andere betekenis dan hij daaraan kennelijk heeft bedoeld te geven) is geen sprake. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 24/04714
Datum 30 juni 2026
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 december 2024, nummer 23-001215-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1996,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld.

De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2 Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel klaagt over (de motivering van) de bewezenverklaring.

2.2 De bewijsvoering van het hof is weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2 tot en met 2.4.

2.3 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.5 tot en met 2.11.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026.

Verbonden uitspraken