HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:658

Medeplegen oplichting, meermalen gepleegd (art. 326.1 Sr), medeplegen gebruik maken van vals geschrift, meermalen gepleegd (art. 225.2 Sr) en medeplegen witwassen, meermalen gepleegd (art. 420bis.1.a Sr). Aanhoudingsverzoek ttz. in hoger beroep door niet gemachtigde raadsman gedaan en op nadere tz. in h.b. herhaald op de grond dat het voor (in Marokko verblijvende) verdachte nog niet mogelijk is om naar Nederland te reizen om strafzaak bij te wonen, door hof (na eerdere aanhoudingen) afgewezen o.g.v. belangenafweging. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2019:1737 m.b.t. beoordelingskader aanhoudingsverzoeken. Raadsman heeft aan aanhoudingsverzoek ttz. in h.b. ten grondslag gelegd dat verdachte gebruik wil maken van zijn in art. 6 EVRM gegarandeerde aanwezigheidsrecht maar dat hij niet kan voldoen aan garantstellingseis die door Nederlandse Staat is verbonden aan visumverlening. Hof heeft dat verzoek afgewezen omdat belang van samenleving bij doeltreffende en spoedige behandeling van zaak ernstig in gedrang zou komen als behandeling van zaak nog langer zou worden aangehouden. Daarbij heeft hof in aanmerking genomen dat sinds eerste aanhouding van zaak in 2015 van zijde van OM alle mogelijke medewerking is gegeven bij het aanvragen van inreisvisum door verdachte, waartoe OM ook contact heeft onderhouden met IND. Daarnaast zijn volgens hof door Rh-C alle mogelijkheden onderzocht om verdachte via rogatoire commissie te horen, dan wel hem via videoconferentie in gelegenheid te stellen tz. bij te wonen. Verder heeft hof in aanmerking genomen dat het ook op de weg van verdachte ligt om alles in het werk te stellen om naar Nederland te kunnen afreizen. In dat verband heeft hof het niet aannemelijk geacht dat verdachte dit heeft gedaan, in verband waarmee het heeft overwogen dat niet is gebleken dat verdachte daadwerkelijk visum voor het bijwonen van strafzaak heeft aangevraagd, terwijl hij pas op dag van tz. in h.b. heeft laten weten dat het hem niet is gelukt om garantstelling te regelen. Ten slotte heeft hof in aanmerking genomen dat niet is geconcretiseerd welke inspanningen de verdachte heeft verricht of nog zal verrichten om binnen afzienbare termijn wel naar Nederland te kunnen afreizen om in toekomst de behandeling van zijn zaak te kunnen bijwonen. ’s Hofs op deze omstandigheden steunende oordeel dat op 5-10-2022 “inmiddels moment was gekomen dat strafvorderlijk en maatschappelijk belang (belang dat samenleving heeft bij doeltreffende en spoedige behandeling van zaak) zwaarder weegt dan belang van verdachte bij het uitoefenen van zijn aanwezigheidsrecht”, is niet onbegrijpelijk. Daarbij is van belang dat het gaat om berechting van feiten die zijn gepleegd in 2007 en 2008 en dat na regiezitting op 3-6-2015 inhoudelijke behandeling op 4 opeenvolgende tz. van 7-2-2019 tot en met 23-4-2021 telkens op verzoek van verdachte is aangehouden i.v.m. diverse namens verdachte naar voren gebrachte problemen die aan zijn komst naar Nederland in de weg stonden. ’s Hofs oordeel over het tekortschieten van inspanningen van verdachte (waaruit volgt dat zich niet situatie voordeed dat het niet kunnen effectueren van zijn aanwezigheidsrecht enkel gevolg was van omstandigheden die waren gelegen buiten macht van verdachte) is toereikend gemotiveerd, mede in aanmerking genomen dat al op tz. van 23-4-2021 belang van garantstelling is besproken en verdachte pas op dag van tz. van 5-10-2022 als probleem heeft benoemd dat hij niemand heeft kunnen vinden die voor hem i.h.k.v. visumverlening garant wilde staan, terwijl dit probleem naar zijn eigen zeggen al langere tijd bestond. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken