HR 22 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:594

OM-cassatie. Vrijspraak t.z.v. zich in niet-internationaal gewapend conflict schuldig maken aan aanranding van persoonlijke waardigheid van een of meer personen (art. 6.1.c WIM) en (partiële) veroordeling voor deelneming aan terroristische organisatie (art. 140a.1 Sr). 1. Kon hof oordelen dat door hof vastgestelde gedragingen geen “aanranding van persoonlijke waardigheid” a.b.i. art. 6.1.c WIM opleveren? 2. Bewijsklacht partiële vrijspraak m.b.t. deelneming aan terroristische organisatie. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over bewijs wat betreft tlgd. periode van 11-11-2015 tot en met 1-7-2017, art. 359.2 Sv. Ad 1. Hof heeft voor interpretatie van art. 6.1.c WIM aansluiting gezocht bij manier waarop in internationaal (gewoonte)recht het verbod op “outrages upon personal dignity, in particular humiliating and degrading treatment” wordt uitgelegd, zoals o.m. neergelegd in gemeenschappelijk art. 3 Verdragen van Genève. Hof heeft daarbij rechtspraak van ICTY en Elements of Crimes betrokken. ‘s Hofs overwegingen over interpretatie van art. 6.1.c WIM houden verder in dat aanranding van persoonlijke waardigheid kan plaatsvinden d.m.v. uitlatingen of gedragingen (die kunnen bestaan uit handelen of nalaten) of combinatie daarvan. Het moet daarbij gaan om (gelet op o.m. aard en duur van die uitlatingen of gedragingen alsmede omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden) ernstige inbreuk op persoonlijke waardigheid, die i.h.b. kan bestaan uit vernederende of onterende behandeling. Bij beoordeling van ernst van inbreuk op persoonlijke waardigheid kan mede betekenis toekomen aan culturele en/of religieuze context waarbinnen uitlatingen of gedragingen plaatsvinden. Deze interpretatie van art. 6.1.c WIM getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting. Daarnaast heeft hof tot uitgangspunt genomen dat strafbaarstelling van art. 6.1.c WIM ook van toepassing is t.a.v. overleden personen. Ook dat getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting, mede gelet op uitleg van internationaal (gewoonte)recht in voetnoot bij Elements of Crimes en in rechtspraak van nationale rechters van andere landen. Hof heeft vervolgens o.g.v. de door hem vastgestelde f&o geoordeeld dat gedragingen van verdachte en andere strijders, hoewel respectloos, objectief gezien onvoldoende ernstig zijn om te worden aangemerkt als “outrage upon personal dignity” a.b.i. gemeenschappelijk art. 3.1.c Verdragen van Genève en daarom evenmin “aanranding van persoonlijke waardigheid” a.b.i. art. 6.1.c WIM vormen. Hof heeft dat oordeel uitvoerig gemotiveerd, waarbij het aandacht heeft besteed aan aard van gedragingen en omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden. Hof heeft in dat verband o.m. bij zijn oordeel betrokken dat overleden personen niet als trofee zijn tentoongesteld, dat nadruk ligt op het vieren van overwinning en niet op het vernederen van overleden personen en dat lichamen van overleden personen en hun uniformen nagenoeg onaangeroerd zijn gebleven. In ’s hofs overweging over cultuur en religie ligt verder besloten dat hof bij het beoordelen van het handelen van verdachte mede acht heeft geslagen op culturele en religieuze achtergrond van slachtoffers. Tegen achtergrond van toepasselijk juridisch kader getuigen die oordelen niet van onjuiste rechtsopvatting. Ook zijn die oordelen, verweven als deze zijn met waarderingen van feitelijke aard, niet onbegrijpelijk. Tot nadere motivering was hof (ook in het licht van wat door OM naar voren is gebracht in schriftelijk requisitoir) niet gehouden (vgl. HR:2006:AU9130). AD 2. Wat OM ttz. in hoger beroep naar voren heeft gebracht over bewijs voor tlgd. deelneming van verdachte aan terroristische organisatie in periode van 11-11-2015 tot en met 1-7-2017, kan niet anders worden opgevat dan als standpunt dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan hof is voorgelegd. Hof is in zijn uitspraak van dit uos afgeweken door verdachte vrij te spreken van tlgd. pleegperiode van 11-11-2015 tot en met 1-7-2017. In strijd met art. 359.2 (tweede volzin) Sv heeft hof daarbij niet i.h.b. redenen opgegeven die daartoe hebben geleid. ’s Hofs overweging over partiële vrijspraak van tlgd. periode volstaat daartoe niet, gelet op wat door OM ttz. van hof naar voren is gebracht. Volgt partiële vernietiging en terugwijzing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken