HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:304

Deelname aan criminele organisatie gericht op plegen van drugsdelicten, wapendelicten, witwassen en (gekwalificeerde) diefstallen (art. 140.1 Sr jo. 11b Opiumwet). Schending van doorlaatverbod, art. 126 ff.1 Sv. Verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid OM, bewijsuitsluiting en/of strafvermindering i.v.m. vormverzuimen, art. 359a Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2002:AD9915 over voorschrift van art. 126ff Sv en uit HR:2020:1889 over toepassing van art. 359a Sv. Bij beoordeling of aan onherstelbaar vormverzuim een rechtsgevolg (strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring OM in vervolging) wordt verbonden, houdt rechter o.g.v. art. 359a.2 Sv rekening met onder meer belang van geschonden voorschrift. Voorschrift van art. 126ff.1 Sv houdt verband met schadelijkheid voor volksgezondheid en gevaar voor veiligheid die aan het aanwezig of voorhanden hebben van bepaalde voorwerpen zijn verbonden. Het beoogt niet, zoals ook in HR:2002:AD9915 tot uitdrukking komt, belangen te beschermen van persoon die ervan wordt verdacht strafbare gedragingen te verrichten m.b.t. de in art. 126ff.1 Sv genoemde voorwerpen, te beschermen. Gelet op strekking van voorschrift van art. 126ff.1 Sv brengt omstandigheid dat verdachte wordt vervolgd voor gedragingen in relatie tot voorwerpen ten aanzien waarvan niet verplichting van art. 126ff.1 Sv is nageleefd, niet met zich dat sprake is van zodanig nadeel voor verdachte dat grond bestaat voor strafvermindering. Verder is in zo’n geval van belang dat bewijsmateriaal dat ziet op gedragingen van verdachte in relatie tot de in art. 126ff.1 Sv genoemde voorwerpen, niet kan worden aangemerkt als bewijs dat uitsluitend en rechtstreeks gevolg is van het niet-naleven van verplichting van art. 126ff.1 Sv en dus het nalaten om tot inbeslagneming over te gaan van die voorwerpen. Ook vormt het niet-naleven van verplichting van art. 126ff.1 Sv niet inbreuk op recht van verdachte op eerlijke behandeling van zijn zaak. Dat vormverzuim brengt immers niet met zich dat verdachte de hem toekomende verdedigingsrechten niet of slechts in beperkte mate kan uitoefenen. ‘s Hofs oordeel komt erop neer dat (i) doorlaatverbod niet is geschonden omdat gelet op verloop van opsporingsonderzoek niet sprake was van “weten” a.b.i. art. 126ff Sv, en dat (ii) in “theoretisch geval dat bijvoorbeeld aan de hand van nadere bestudering van ICT-gegevens van politie vastgesteld zou kunnen worden dat er op enig moment wel sprake is geweest van wetenschap a.b.i. art. 126ff Sv dat er gevaarlijke goederen aanwezig waren en er in dergelijk geval desalniettemin niet is opgetreden” geen grond bestaat om aan het schenden van doorlaatverbod 1 van de in art. 359a.1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden. ‘s Hofs daarin besloten liggende oordeel dat, v.zv. al in deze zaak zou kunnen worden vastgesteld dat verplichting van art. 126ff.1 Sv niet is nageleefd, kan worden volstaan met constatering van dat verzuim en geen aanleiding bestaat 1 van de in art. 359a.1 Sv genoemde rechtsgevolgen aan verzuim te verbinden, getuigt (gelet op voorgaande) niet van onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Volgt verwerping. Samenhang met 23/04374, 23/04383, 23/04388, 23/04391, 23/04413, 23/04429, 23/04440, 23/04462, 23/04477, 23/04495 en 23/04526.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken