HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:293
Als leider deelnemen aan organisatie die tot oogmerk heeft plegen van terroristische misdrijven in Syrië (art. 140a.2 Sr). Vrijspraak eerste aanleg. 1. Klacht dat uit bwm’en niet kan worden afgeleid dat feit gedurende gehele pleegperiode is gepleegd. 2. Terroristisch oogmerk overheid wederrechtelijk te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden a.b.i. art. 83a Sr. Is toereikend gemotiveerd dat bomaanslag op tapijtfabriek waar Syrisch regeringsleger zich had gevestigd is gepleegd met terroristisch oogmerk overheid ‘wederrechtelijk’ te dwingen het leger terug te trekken? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Oordeel hof dat ook in periode na bomaanslag organisatie oogmerk had terroristische misdrijven te plegen is niet onbegrijpelijk, gelet op eerder gepleegde terroristische misdrijven, gestructureerde karakter van organisatie, samenwerking met andere strijdende groeperingen en omstandigheid dat zij in die periode nog onderdeel uitmaakten van strijd tegen Syrische regeringsleger. Ad 2. Gelet op wetsgeschiedenis, is met toevoeging van begrip ‘wederrechtelijk’ aan art. 83a Sr aangesloten bij art. 1.1 Kaderbesluit terrorismebestrijding, dat in dit verband spreekt over “op onrechtmatige wijze (...) dwingen”. Uit wetsgeschiedenis blijkt dat met die toevoeging is beoogd buiten twijfel te stellen dat personen – waarbij genoemd zijn demonstranten en activisten – die op rechtmatige wijze proberen overheid tot iets te bewegen, niet handelen met hier bedoelde terroristisch oogmerk. Middel neemt tot uitgangspunt dat van in art. 83a Sr bedoelde oogmerk tot het ‘wederrechtelijk dwingen’ van overheid geen sprake kan zijn als het gaat om misdrijf als genoemd in art. 83 Sr, dat moet worden aangemerkt als een verzetshandeling tegen “een verwerpelijk regime”. Mede gelet op wetsgeschiedenis gaat middel daarmee uit van te beperkte en daarom onjuiste uitleg van art. 83a Sr. Om redenen vermeld in CAG falen ook andere klachten van middel. Opmerking verdient nog dat uit wetsgeschiedenis naar voren komt dat strafvervolging niet in alle gevallen opportuun zal worden geacht en dat niet is uitgesloten dat in bijzondere situaties beroep op strafuitsluitingsgrond kan worden aanvaard als verdachte zich op standpunt stelt dat hij in art. 83 Sr genoemd misdrijf heeft gepleegd met doel “repressieve apparaat van abject regime aan te tasten”. Volgt verwerping.
De uitspraak op rechtspraak.nl