HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:289

Zedenzaak. Ontucht (art. 245 (oud) Sr) met en verkrachting (art. 242 (oud) Sr) van 4 jaar jongere zusje gedurende periode van 10 jaar. Strafmotivering (gevangenisstraf van 3 jaar). Kon hof gevangenisstraf opleggen voor feiten die (gedeeltelijk) zijn begaan voordat verdachte leeftijd van 16 jaren had bereikt? Uit wetsgeschiedenis van Wet adolescentenstrafrecht komt naar voren dat wetgever bij invoering van die wet heeft beoogd adolescentenstrafrecht vorm te geven binnen grenzen die worden gesteld in IVRK en voorbehoud dat Nederland heeft gemaakt bij art. 37 van dat verdrag. Dat voorbehoud maakt toepassing van volwassenenstrafrecht alleen mogelijk als kind leeftijd van 16 jaren heeft bereikt en aan in wet neergelegde criteria voor toepassing van volwassenenstrafrecht is voldaan. O.g.v. art. 77a (oud) Sr geldt als hoofdregel dat op personen die t.t.v. begaan van strafbaar feit nog niet leeftijd van 18 jaren hebben bereikt jeugdstrafrecht (dat niet voorziet in mogelijkheid tot opleggen van gevangenisstraf) wordt toegepast. Art. 77b (oud) Sr (dat v.zv. hier van belang niet verschilt van nu geldende tekst) vormt uitzondering op deze hoofdregel en voorziet in mogelijkheid om verdachte te veroordelen overeenkomstig bepalingen uit volwassenenstrafrecht, als rechter daarvoor aanleiding ziet in daar genoemde gevallen. Deze bepaling is alleen van toepassing op personen die t.t.v. begaan van strafbaar feit leeftijd van 16 jaren, maar nog niet die van 18 jaren, hebben bereikt. Art. 77b (oud) Sr voorziet niet in mogelijkheid om gevangenisstraf op te leggen voor feit dat is begaan toen verdachte leeftijd van 16 jaren (nog) niet had bereikt en ook andere bepalingen voorzien daarin niet. Uit in arrest van hof vermelde geboortedatum van verdachte volgt dat verdachte t.t.v. begaan van het door hof bewezenverklaarde feit 1 en gedeeltelijk t.t.v. begaan van bewezenverklaard feit 2 leeftijd van 16 jaren nog niet had bereikt. Hof heeft desondanks geoordeeld dat ook t.a.v. die feiten, met toepassing van volwassenenstrafrecht, gevangenisstraf kan worden opgelegd. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. Wat hof, onder aanhaling van art. 495.4 Sv, heeft overwogen over Wet adolescentenstrafrecht doet hieraan niet af. Gelet op weergegeven overgangsrecht is art. 495.4 Sv niet van toepassing op feiten die zijn gepleegd voor inwerkingtreding van Wet adolescentenstrafrecht op 1-4-2014. Opmerking verdient verder dat art. 495.5 Sv niet van toepassing is op strafbare feiten die zijn begaan voordat verdachte leeftijd van 16 jaren had bereikt. Nu verdachte alleen belang heeft bij cassatie v.zv. aan hem met toepassing van volwassenenstrafrecht gevangenisstraf is opgelegd voor feiten die hij heeft begaan voordat hij leeftijd van 16 jaren had bereikt, zal HR uitspraak van hof alleen vernietigen wat betreft opgelegde gevangenisstraf en zaak zelf afdoen. Omdat hof straf heeft willen opleggen die wat betreft duur van vrijheidsontneming overeenkomt met de door Rb opgelegde straf, zal HR daarbij aansluiten. Bij afdoening zal HR uitgaan van de door Rb bevolen splitsing in minderjarig en meerderjarig deel. Nu hof strafoplegging in kern heeft gebaseerd op dezelfde bewijsvoering en bewezenverklaring als Rb, leent arrest van hof zich in zoverre voor verbeterde lezing dat HR verstaat dat bewezenverklaring in arrest van hof luidt overeenkomstig bewezenverklaringen die zijn opgenomen in vonnissen Rb. HR vernietigt ’s hofs uitspraak wat betreft opgelegde gevangenisstraf en doet zaak zelf af.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken