HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:228
Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. Beantwoording vraag of art. art. 197b Sr (tewerkstelling van wederrechtelijk in Nederland verblijvende vreemdelingen) zich tot art. 197a.2 Sr (mensensmokkel uit winstbejag door behulpzaamheid bij verblijf in Nederland) verhoudt als bijzondere strafbepaling tot algemene strafbepaling a.b.i. art. 55.2 Sr. HR beantwoordt deze vraag negatief. Art. 197b Sr bevat immers niet alle bestanddelen van art. 197a.2 Sr, terwijl wetsgeschiedenis van art. 197b Sr en art. 197a Sr geen dwingende aanknopingspunten bevat voor opvatting dat art. 197b Sr niettemin moet worden beschouwd als zo’n bijzondere strafbepaling. HR neemt daarbij in aanmerking dat in die wetsgeschiedenis weliswaar tot uitdrukking wordt gebracht dat “art. 197b en 197c voortaan als geprivilegieerd delict moeten worden beschouwd ten opzichte van art. 197a”, maar dat die opmerking is gemaakt in context van (negatief beantwoorde) vraag of ook aanpassing van strafmaximum in art. 197b Sr was aangewezen en dat mede gelet daarop die opmerking tegen achtergrond van wetsgeschiedenis als geheel, onvoldoende dwingend is om aan te nemen dat art. 197b Sr een bijzondere strafbepaling vormt t.o.v. art. 197a.2 Sr. Zo wordt in betreffende memorie van toelichting over context van art. 197b Sr ook opgemerkt dat het een bepaling betreft met “geheel andere achtergrond”. Nu eerste prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord, is het niet nodig tweede en derde prejudiciële vraag te beantwoorden. HR beantwoordt prejudiciële vragen. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl