HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1925
OM-cassatie. Rijden onder invloed van cannabis, art. 8.5 WVW 1994. Overschrijding van termijn van bloedafname (90-minutentermijn) uit art. 12.3 Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in verkeer met 7 minuten. 1. Kon hof oordelen dat na deze overschrijding geen (op wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen? 2. Kon hof strafvermindering toepassen vanwege onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv? Ad 1. Aan de in art. 12.3 Besluit opgenomen termijnstelling ligt (volgens toelichting daarop) in de kern ten grondslag dat door tijdsverloop de concentratie van de in art. 2 Besluit aangewezen stoffen in bloed vermindert, waardoor langer durend tijdsverloop ertoe kan leiden dat in afgenomen bloed gemeten concentratie onder toegestane grenswaarde komt. Daarmee wordt “risico steeds groter (...) dat bestuurder t.a.v. wie o.b.v. speekselonderzoek of onderzoek van psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van bloedonderzoek vrijuit gaat”. Dat betekent echter niet dat onderzoek waarbij pas na verstrijken van tijdsbestek van anderhalf uur bloed is afgenomen, geen betrouwbaar resultaat geeft van de (voor bewezenverklaring beslissende) op dat moment in afgenomen bloed aanwezige concentratie van die stoffen. Daaruit volgt dat voorschrift niet rechtstreeks in verband staat met juistheid en betrouwbaarheid van resultaten van verricht onderzoek (vgl. HR:2021:619). Als voorschrift van art. 12.3 Besluit niet wordt nageleefd, heeft dat dus op zichzelf geen gevolgen voor bewijs van het in art. 8.5 WVW 1994 voorkomende bestanddeel “onderzoek”. Art. 359a Sv vormt dan toetsingskader voor beantwoording van vraag of aan verzuim een rechtsgevolg moet worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg. Hof heeft overwogen dat door overschrijden van termijn van anderhalf uur, terwijl van bijzondere omstandigheden waardoor bloedafname niet tijdig kon plaatsvinden niet is gebleken, geen (op wet gebaseerde) bevoegdheid meer bestond om bloed af te nemen, en dat daarmee inbreuk is gemaakt op art. 8 EVRM. ‘s Hofs oordeel moet zo worden verstaan dat art. 163 WVW 1994 o.m. bevoegdheid verschaft om toestemming te vragen voor bloedonderzoek, dat daarbij voor afname van bloed o.g.v. art. 12.3 Besluit een termijn van anderhalf uur geldt, en dat bij overschrijding van die termijn (behalve in bijzondere omstandigheden, die i.c. niet zijn gebleken) sprake is van onherstelbaar vormverzuim a.b.i. art. 359a Sv omdat bloedafname dan niet is verlopen overeenkomstig regeling van art. 163 WVW 1994 jo. 12.3 Besluit. Daarom ontbreekt feitelijke grondslag waarop klacht berust. Ad 2. Hof heeft geoordeeld dat gelet op onherstelbaar vormverzuim (overschrijding van de in art. 12.3 Besluit genoemde termijn van anderhalf uur, zonder dat bijzondere omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan van die termijn mocht worden afgeweken) vermindering van straf moet plaatsvinden. Hof heeft daarbij overwogen dat verdachte door dit vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat dit nadeel geschikt is voor compensatie door middel van strafvermindering en dat strafvermindering ook in het licht van geschonden voorschrift en ernst van verzuim gerechtvaardigd is. Daarbij heeft hof, wat betreft belang van geschonden voorschrift en door verdachte geleden nadeel, kennelijk in aanmerking genomen dat art. 12.3 Besluit ertoe strekt te voorkomen dat verdachte onnodig lang moet wachten op bloedafname en dat (ook al was slechts sprake van beperkte overschrijding van termijn) verdachte langer heeft moeten wachten dan hiervoor o.g.v. art. 12.3 Besluit geldende tijdsduur. ’s Hofs oordeel is, mede in aanmerking genomen dat strafvermindering een verlaging van de op te leggen geldboete met € 250 betreft, niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. CAG: anders t.a.v. strafvermindering.
De uitspraak op rechtspraak.nl