HR 16 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1877
Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk verrichten van werkzaamheden gericht op verlenen van trustdiensten door trustkantoor met zetel in niet-aangewezen staat (Cyprus) dat niet beschikt over vergunning van toezichthouder (art. 2.3 Wet toezicht trustkantoren (oud)) en feitelijk leidinggeven aan opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting (art. 69 AWR). Vrijspraak in eerste aanleg t.a.v. doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. 1. Had hof verdachte moeten ontslaan van alle rechtsvervolging wegens onverenigbaarheid van regeling van art. 2 Wtt (oud) met verbod op beperkingen op vrij verrichten van diensten a.b.i. art. 56 VWEU? 2. Bewijsklacht (voorwaardelijk) opzet op doen van onjuiste aangiften omzetbelasting. 3. Ambtshalve cassatie i.v.m. partiële verjaring opzettelijke overtreding van art. 2.3 Wtt (oud)? Ad 1. Regeling van art. 2.1 tot en met 2.3 Wtt (oud) strekt ertoe dat voor werkzaamheden en dienstverlening door trustkantoor in of naar Nederland telkens (ongeacht waar zetel van trustkantoor zich bevindt) vergunning van toezichthouder is vereist. Dat is anders als het gaat om trustkantoren met zetel in een door minister aan te wijzen staat waarin toezicht op verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt t.a.v. belangen die Wtt (oud) beoogt te beschermen. Trustkantoren met zetel in deze aangewezen staten mogen ook zonder vergunning werkzaamheden in Nederland verrichten. Ook kan minister o.g.v. art. 2a Wtt (oud) vrijstelling van vergunningsplicht verlenen als situatie van te onderscheiden categorie trustkantoren dat rechtvaardigt en kan toezichthouder ontheffing van vergunningsplicht verlenen als specifieke situatie van trustkantoor dit rechtvaardigt. Art. 56 VWEU betreft vrijheid van dienstverrichting. Deze bepaling verzet zich tegen toepassing van elke nationale regeling die ertoe leidt dat verrichten van diensten tussen lidstaten moeilijker wordt dan verrichten van diensten binnen 1 enkele lidstaat en verlangt afschaffing van elke nationale maatregel die gebruik van deze vrijheid verbiedt, belemmert of minder aantrekkelijk maakt, enkel vanwege omstandigheid dat dienstverrichter is gevestigd in andere lidstaat dan die waar dienst wordt verricht (vgl. HR:2024:1883). Hof heeft overwogen dat verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op verlenen van trustdiensten door trustkantoor met zetel in niet-aangewezen staat dat niet beschikt over vergunning a.b.i. art. 2.3 Wtt (oud), beperking van vrijheid van dienstverrichting betreft maar dat deze beperking gerechtvaardigd is gelet op algemeen belang van bescherming van integriteit van financiële markten in Nederland. Hieraan doet niet af (zo heeft hof in reactie op het in hoger beroep gevoerde verweer overwogen) dat minister (t.t.v. tlgd. feiten) t.a.v. geen enkele staat is overgegaan tot aanwijzing a.b.i. art. 2.5 Wtt (oud). Deze verwerping van verweer getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Verbod om zonder vergunning in art. 2.3 Wtt (oud) bedoelde werkzaamheden te verrichten strekt immers ertoe dat met oog op financiële integriteitsrisico’s toezicht kan worden gehouden. In licht van die risico’s bestaat alleen dan geen reden voor zo’n verbod als het gaat om trustkantoor met zetel in staat waarin toezicht op verlenen van trustdiensten wordt uitgeoefend dat in voldoende mate waarborgen biedt t.a.v. belangen die Wtt (oud) beoogt te beschermen. Regeling van art. 2.3 en 2.5 Wtt (oud), op grond waarvan minister kan overgaan tot een in die regeling bedoelde aanwijzing, vormt voor trustkantoor met zetel buiten Nederland dus geen verderstrekkende beperking van vrijheid om trustdiensten in Nederland te verlenen, maar beoogt uitsluitend samenloop van vergelijkbare vormen van toezicht vanuit verschillende lidstaten te voorkomen. Voor beantwoording van vraag of verbod om werkzaamheden te verrichten gericht op verlenen van trustdiensten door trustkantoor met zetel in niet-aangewezen staat dat niet beschikt over vergunning a.b.i. art. 2.3 Wtt (oud), gerechtvaardigde beperking van vrijheid van dienstverrichting vormt, is het daarom niet van belang of minister al dan niet gebruik heeft gemaakt van mogelijkheid om aanwijzing a.b.i. art. 2.5 Wtt (oud) te geven. Dienstenrichtlijn is niet van toepassing, omdat ’s hofs kennelijke oordeel dat het bij de door Cypriotisch trustkantoor aangeboden diensten ging om uitgezonderde ‘financiële diensten’ a.b.i. art. 2.b Dienstenrichtlijn niet onbegrijpelijk is. Gelet hierop kan worden afgezien van stellen van prejudiciële vraag aan HvJ EU. Ad 2. Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. Ad 3. HR ambtshalve: HR merkt n.a.v. CAG op dat verdachte onvoldoende belang heeft bij ambtshalve beoordeling van verjaring van tlgd. feit, in aanmerking genomen dat partiële verjaring voor tlgd. feit geen wezenlijke invloed op strafoplegging zou hebben. Volgt verwerping. Samenhang met 23/00557. CAG: anders t.a.v. verjaring.
De uitspraak op rechtspraak.nl