HR 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1868

Deelname aan criminele organisatie (art. 140.1 Sr), medeplegen bedrijfsmatige handel in vuurwapens en munitie (art. 9.1 WWM) en medeplegen voorhanden hebben van vuurwapens en munitie, meermalen gepleegd (art. 26.1 WWM). Verweer strekkende tot strafvermindering i.v.m. vormverzuim, nu verdachte bij aanhouding in zijn been is geschoten “terwijl er geen schietwaardige situatie was”, art. 359a Sv. Kon hof oordelen dat vormverzuim aan RC en niet aan zittingsrechter had moeten worden voorgelegd en dat strafvermindering ook niet aan de orde kan zijn vanwege nog lopende procedure bij civiele rechter? In HR:2001:AB1566 heeft HR geoordeeld dat bepaalde verzuimen bij aanhouding en inverzekeringstelling van verdachte, die aan de orde kunnen worden gesteld bij verhoor van verdachte door RC i.h.k.v. het door RC toetsen van rechtmatigheid van inverzekeringstelling, niet zijn begrepen onder de in art. 359a.1 Sv bedoelde vormverzuimen bij voorbereidend onderzoek en dus niet aan zittingsrechter kunnen worden voorgelegd in de vorm van een op art. 359a Sv toegesneden verweer. In latere rechtspraak is dit uitgangspunt o.m. herhaald t.a.v. bewaring (vgl. HR:2001:AD4307). In HR:2004:AM2533 heeft HR dit uitgangspunt in iets andere bewoordingen tot uitdrukking gebracht. In het licht van rechtspraak van HR over art. 359a Sv van latere datum, komt nu echter geen betekenis meer toe aan dat uitgangspunt. Aan die rechtspraak (HR:2020:1889) ligt immers mede ten grondslag dat in strafproces centraal staat dat rechter, met inachtneming van regels van eerlijk proces, zoveel mogelijk inhoudelijk oordeel velt over beschuldiging tegen verdachte en zo recht spreekt in concrete zaak. Daarbij past dat rechter zich concentreert op vragen die hij moet beantwoorden o.g.v. art. 348 en 350 Sv en dat het de taak en verantwoordelijkheid van rechter te buiten gaat om vormverzuimen in vooronderzoek die voor beantwoording van deze vragen niet van belang zijn, bij zijn oordeelsvorming te betrekken. Voor vormverzuimen die niet in rechtstreeks verband staan tot vrijheidsbeneming, geldt dat die vormverzuimen ofwel niet van belang zijn voor beantwoording van vragen a.b.i. art. 348 en 350 Sv en al daarom niet in aanmerking komen voor verbinden van rechtsgevolg o.g.v. art. 359a Sv ofwel dat zij dat wel doen en daarom ook ttz. aan de orde moeten kunnen worden gesteld. Hof heeft geoordeeld dat verdachte tijdens aanhouding is beschoten “terwijl er geen schietwaardige situatie was”, dat betrokken politieambtenaar bij aanhouding heeft gehandeld in strijd met art. 7 Ambtsinstructie voor politie en dat verdachte als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel aan knie heeft opgelopen. Hof heeft dit aangemerkt als vormverzuim in vooronderzoek als gevolg waarvan verdachte nadeel a.b.i. art. 359a.2 Sv heeft ondervonden. Vervolgens heeft hof geoordeeld dat vormverzuim bij toetsing door RC van inverzekeringstelling niet is aangevoerd, terwijl het daar wel aangevoerd had kunnen worden, en dat om die reden art. 359a Sv niet van toepassing is op dit vormverzuim. Dat oordeel getuigt gelet op wat hiervoor is vooropgesteld van onjuiste rechtsopvatting. ‘s Hofs oordeel dat strafvermindering daarnaast niet aan de orde kan zijn omdat voor verdachte ontstaan nadeel gecompenseerd “gaat (...) worden door middel van financiële tegemoetkoming via lopende procedure bij civiele rechter”, is niet toereikend gemotiveerd. Hof heeft immers onvoldoende vastgesteld om oordeel te dragen dat door verdachte ondervonden nadeel door deze procedure in voldoende mate zal worden gecompenseerd en beroep op strafvermindering daarom niet kan slagen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing t.a.v. strafoplegging. Samenhang met 23/04311.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken