HR 18 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1703

Jeugdzaak. Belediging van 2 politieambtenaren, art. 266.1 en 267.1.2 Sr. Verweer dat OM niet-ontvankelijk moet worden verklaard in vervolging o.g.v. het bij verdachte gewekte vertrouwen dat hij niet zou worden vervolgd, art. 77e Sr, 12i Sv en 40.3.b IVRK. Gerechtvaardigd vertrouwen gewekt door Halt-medewerker, nu deze aan verdachte heeft medegedeeld dat hij positief afloopbericht heeft gestuurd naar OvJ, nadat verdachte op voorstel van OvJ een Halt-traject positief had uitgevoerd? ’s Hofs oordeel houdt onder meer in dat, ook als ervan wordt uitgegaan dat door of namens OM een toezegging is gedaan dat verdachte niet zou worden vervolgd, dit niet aan ontvankelijkheid van OM in de weg staat, omdat hof o.g.v. art. 12i Sv heeft bevolen dat vervolging zal worden ingesteld voor belediging van 2 opsporingsambtenaren. Dit oordeel is juist, omdat OM verplicht is aan zo’n bevel gevolg te geven o.g.v. art. 77e.5 Sr (vgl. HR:1987:AB8018). In dat geval houdt rechter, als hij straf oplegt, rekening met voltooide deelneming aan Halt-traject. Art. 40.3.b IVRK leidt niet tot andere uitkomst. O.g.v. deze bepaling streven verdragsstaten ernaar o.m. invoering te bevorderen, wanneer passend en wenselijk, van buitengerechtelijke afdoening van jeugdstrafzaken, mits rechten van mens en wettelijke grenzen volledig worden gewaarborgd. Voorschrift van art. 77e.5 Sr is daarmee niet onverenigbaar en er is geen grond waarop dat voorschrift buiten toepassing zou moeten worden gelaten. Dat neemt niet weg dat aanbeveling verdient dat in kennisgeving ex art. 77e.5 Sr melding wordt gemaakt van mogelijkheid dat o.g.v. art.12i Sv alsnog bevel tot instellen van vervolging wordt gegeven. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken