HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1638

Belastingfraude. Feitelijk leiding geven aan medeplegen opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting, begaan door rechtspersoon (meermalen gepleegd), art. 69.2 AWR. 1. Bewijsklachten opzet. Kon hof voorwaardelijk opzet van verdachte op het doen van onjuiste belastingaangiften door vennootschap steunen op omstandigheid dat verdachte slechts omzetcijfers aan zijn boekhouder had verstrekt en niet ook onderliggende administratieve bescheiden? 2. Redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof uitgaan van moment van aanhouding als beginpunt van redelijke termijn in e.a.? 3. Redelijke termijn in hoger beroep. Kon hof oordelen dat deel van overschrijding van redelijke termijn in h.b. is veroorzaakt door wijze van procesvoering van verdediging? HR: art. 81.1 RO.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/04105
Datum 4 november 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 september 2023, nummer 21-000025-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1 Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat W. de Vries bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.

De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 november 2025.

Aangehaalde artikelen

Verbonden uitspraken