HR 28 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:124
Medeplegen erfvredebreuk door betonblokken weg te slepen bij voormalige standplaats van woonwagens en zich wederrechtelijk toegang te verschaffen tot besloten erf van gemeente, art. 138.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht t.a.v. “bij gemeente in gebruik” zijn van erf. 2. Bewijsklachten t.a.v. “besloten erf”, “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” en verweer over uitspraak voorzieningenrechter. Ad 1. Middel berust op opvatting dat aan woorden “bij ander in gebruik” in art. 138 Sr t.a.v. besloten erf dezelfde betekenis toekomt als t.a.v. woning, te weten dat feitelijk gebruik is vereist. Uitleg in rechtspraak van “in gebruik” als het “feitelijk in gebruik” zijn van woning houdt in het bijzonder verband met beoogde bescherming van huisrecht, waarvan bij besloten erf geen sprake is. Als het gaat om het “in gebruik” zijn van erf volstaat daarvoor dat ander in feitelijke zin bezit of houderschap over erf uitoefent (vgl. HR:2016:345). Hof heeft vastgesteld dat gemeente de eigenaar is van betreffend erf, dat gemeenteraad de bestemming van dit erf heeft gewijzigd en dat gemeente het erf heeft afgesloten met betonblokken. Op grond daarvan heeft hof geoordeeld dat gemeente (t.t.v. bewezenverklaarde handelingen van verdachte en medeverdachten) in feitelijke zin het bezit over dit erf uitoefende. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leiden middelen niet tot cassatie. CAG: Hof heeft geoordeeld dat perceel was afgesloten door middel van betonblokken en daarmee was afgescheiden van omgeving, zodat op dat moment sprake was van besloten erf a.b.i. art. 138.1 Sr. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarmee heeft hof verwerping van verweer t.a.v. “besloten erf” toereikend gemotiveerd. Voorts heeft hof gemotiveerd waarom bestanddelen “wederrechtelijk vertoeven” en “zich op vordering door of vanwege rechthebbende niet verwijderen” zijn vervuld. Hof heeft in dat verband vastgesteld dat gemeente een brief heeft gestuurd met sommatie om erf uiterlijk 2 dagen later te verlaten. Uit bewijsmiddelen blijkt dat verdachte en zijn medeverdachten meerdere malen brieven hebben ontvangen van gemeente en ook dat zij deze brieven hebben gelezen en dus op de hoogte waren van inhoud. Aldus heeft hof de verwerping van desbetreffend toereikend verweer gemotiveerd. Tenslotte wordt met verweer over uitspraak voorzieningenrechter betoogd dat schorsing van de door gemeente opgelegde last onder dwangsom die tot 16-10-2018 heeft voortgeduurd, meebrengt dat verdachte en medeverdachten zich in periode tussen 23-9-2018 en 16-10-2018 niet aan strafbaar feit schuldig hebben gemaakt. Die opvatting is onjuist. Hof had verweer daarom slechts kunnen verwerpen. Volgt verwerping. Samenhang met 22/02946, 22/02947 en 22/02948.
De uitspraak op rechtspraak.nl