HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1219

Poging tot zware mishandeling, begaan tegen echtgenote (art. 302.1 jo. 304.1.1 jo. 45 Sr). 1. Oplegging vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod met echtgenote). Heeft hof inbreuk gemaakt op art. 8 EVRM door vrijheidsbeperkende maatregel op te leggen die het verdachte feitelijk onmogelijk maakt om contact te houden met zijn jonge dochter? 2. Motivering van dadelijke uitvoerbaarheid van vrijheidsbeperkende maatregel, art. 38v.4 Sr. Ad 1. Uit stukken blijkt niet dat in hoger beroep verweer is gevoerd dat oplegging in de vorm van vrijheidsbeperkende maatregel van het op slachtoffer betrekking hebbende contactverbod, zoals met dezelfde formulering gevorderd door AG bij hof, ongerechtvaardigde inbreuk zou maken op familieleven van verdachte met zijn dochter zoals beschermd onder art. 8 EVRM. Zo’n verweer, dat niet maatregel zelf betreft maar mogelijke gevolgen daarvan voor contact met ander, kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat beoordeling daarvan onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Daarvoor is in cassatie echter geen plaats. HR merkt op dat sinds 1-1-2023 art. 6:6:23a1 Sv mogelijkheid biedt om inhoud van vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. O.g.v. art. 6:6:1.1 Sv kan rechter hiertoe overgaan op vordering van OvJ, op verzoek van veroordeelde, of ambtshalve. Ad 2. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2024:901 m.b.t. motiveringsverplichting voor rechter m.b.t. dadelijke uitvoerbaarheid van vrijheidsbeperkende maatregel. Uitspraak van hof voldoet niet aan deze motiveringsverplichting nu uit wat hof heeft overwogen m.b.t. opgelegde straf en maatregel niet z.m. volgt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw strafbaar feit pleegt of zich belastend gedraagt jegens bepaalde persoon of bepaalde personen. HR doet zaak zelf af en vernietigt bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid. CAG: anders t.a.v. oplegging vrijheidsbeperkende maatregel.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken