HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1213

Art. 416.2 Sv na veroordeling t.z.v. hennepteelt (art. 3.B Opiumwet) en diefstal van elektriciteit d.m.v. verbreking (art. 311.1.5 Sr). Kon hof in volmacht tot het instellen van hoger beroep geen grief a.b.i. art. 410.1 Sv lezen? O.g.v. art. 410.1 Sv moet appelschriftuur de grieven tegen vonnis in eerste aanleg bevatten. Ook volmacht tot het instellen van h.b. kan dergelijke grieven bevatten. Onder “grieven” kunnen zowel bezwaren direct gericht tegen oordeel van rechter in e.a. als andersoortige gronden voor het instellen van beroep vallen. Dit geldt ook voor de in art. 416.1 en 416.2 Sv genoemde mondelinge “bezwaren tegen vonnis” (vgl. HR:2019:251). Aan formulering van grieven (die ook door verdachte zelf kunnen worden ingediend) worden geen hoge eisen gesteld (vgl. HR:2014:1496). Wel moeten opgegeven grieven of mondelinge bezwaren voldoende duidelijk maken wat inzet van h.b. is. Hof heeft toepassing gegeven aan art. 416.2 Sv. Hof heeft in dat verband kennelijk geoordeeld dat in de door raadsvrouw ingediende volmacht tot het instellen van h.b. opgenomen zin dat verdachte “het niet eens is met veroordeling in zaak met parketnummer 13-207596-19” niet kan worden opgevat als grief a.b.i. art. 410 Sv. Dat oordeel getuigt, gelet op wat hiervoor is overwogen over eisen waaraan grieven moeten voldoen, niet van onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping. Samenhang met 23/00834 P.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken