HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:808

Misbruik van identificerende persoonsgegevens door paspoort van ander te tonen ter identificatie, art. 231b Sr. Verhouding tussen art. 231b Sr en art. 231.1 Sr. Kan het zich identificeren met paspoort van ander worden aangemerkt als gebruik van identificerende persoonsgegevens (niet zijnde biometrische persoonsgegevens) van ander a.b.i. art. 231b Sr? Opvatting dat onder het in art. 231b Sr strafbaar gestelde gebruik van identificerende persoonsgegevens van ander, niet kan worden begrepen geval dat gebruik wordt gemaakt van reisdocument of identiteitsbewijs a.b.i. in art. 231.1 Sr dat op naam staat van ander, vindt geen steun in bewoordingen van art. 231b Sr en evenmin in wetsgeschiedenis. In die wetsgeschiedenis komt weliswaar tot uitdrukking dat strafbaarstelling in art. 231b Sr “een aanvulling” vormt op (onder meer) art. 231 Sr voor “identiteitsfraude die niet met officiële documenten plaatsvindt”. Daaruit volgt echter niet dat ook beoogd is strafbaarstelling in art. 231b Sr te beperken tot gebruik van identificerende persoonsgegevens op andere wijze dan door gebruikmaking van reisdocument of identiteitsbewijs a.b.i. art. 231.1 Sr. Evenmin volgt daaruit dat art. 231 Sr zich t.o.v. art. 231b Sr verhoudt als bijzondere tot algemene strafbepaling a.b.i. art. 55.2 Sr. Uit vaststellingen van hof volgt dat verdachte ter vaststelling van zijn identiteit paspoort van ander aan verbalisant van politie heeft getoond nadat hij als bestuurder van auto stopteken had gekregen en die verbalisant hem naar zijn rijbewijs had gevraagd. ‘s Hofs hierop gebaseerde oordeel dat verdachte identificerende persoonsgegevens, niet zijnde biometrische persoonsgegevens, van ander heeft gebruikt, getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen