HR 14 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:691

Beklag, beslag ex art. 94 Sv op riem met gesp van motorclub onder klager t.z.v. strafrechtelijk onderzoek tegen klager, waarna hij onherroepelijk is veroordeeld voor deelneming aan criminele organisatie. Over inbeslaggenomen riem, die niet op beslaglijst stond vermeld, heeft strafrechter in zijn arrest geen beslissing genomen. Wel heeft strafrechter bij dat arrest “patches” en “colours” verbeurdverklaard. Riem is inmiddels vernietigd. 1. Kon beklagrechter klaagschrift ex art. 552a.1 Sv, dat strekt tot opheffing beslag en teruggave aan klager van riem, ongegrond verklaren? Art. 33.1 Sr. 2. Ontvankelijkheid van beklag, art. 552a.1 en 552a.3 Sv. Moet strategie van klager (tijdens behandeling van strafzaak heeft hij niets gezegd over riem) gevolgen hebben voor ontvankelijkheid van klager in klaagschrift? Ad 1. Beklagrechter heeft aan ongegrondverklaring klaagschrift ten grondslag gelegd dat er “geen reden is om aan te nemen dat ttz. in hoger beroep m.b.t. riem met gesp van motorclub, ware deze ook op beslaglijst vermeld, anders was besloten dan m.b.t. andere verbeurdverklaarde (kleding)goederen van motorclub” die zijn verbeurdverklaard. Hierin ligt besloten dat beklagrechter heeft geoordeeld dat beslag op riem moet worden gehandhaafd met oog op verbeurdverklaring voorwerp. Dat oordeel getuigt van onjuiste rechtsopvatting. O.g.v. art. 33.1 Sr kan immers (bijkomende) straf van verbeurdverklaring (als onderdeel van straftoemetingsbeslissing) uitsluitend worden uitgesproken bij veroordeling wegens enig strafbaar feit. De in arrest van strafrechter bij gelegenheid van veroordeling van klager uitgesproken verbeurdverklaring strekt zich echter niet uit tot riem, terwijl dat arrest inmiddels onherroepelijk is geworden. Ad 2. HR merkt n.a.v. gestelde in CAG en met oog op verdere afdoening van zaak op dat belanghebbende zich o.g.v. art. 552a.1 en 552a.3 Sv binnen 3 maanden nadat uitspraak onherroepelijk is geworden schriftelijk kan beklagen over verzuim om te beslissen over de met toepassing van art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen ten aanzien waarvan nog geen last tot teruggave is gegeven. Er bestaat geen grond om klager n-o te verklaren in beklag omdat hij, als verdachte, bij behandeling strafzaak niet aan de orde heeft gesteld dat inbeslaggenomen voorwerp niet is vermeld op beslaglijst a.b.i. art. 309.1 Sv of, als het gaat om behandeling strafzaak in h.b., dat rechter in eerste aanleg heeft verzuimd over specifiek, o.g.v. art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerp beslissing te nemen a.b.i. art. 353.1 Sv. Het is primair verantwoordelijkheid OM om rechter in strafzaak te voorzien van volledige en correcte lijst a.b.i. art. 309.1 Sv, om rechter daarmee in staat te stellen overeenkomstig art. 353.1 Sv over alle o.g.v. art. 94 Sv inbeslaggenomen voorwerpen beslissing te nemen. Op die lijst moeten ook voorwerpen worden vermeld waarvan beslag inmiddels is beëindigd anders dan door teruggave daarvan, omdat strafrechter ook daarover o.g.v. art. 353 Sv nog beslissing moet geven (vgl. HR:2001:AD5210). Volgt vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. Samenhang met HR:2022:969 (strafzaak).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken