HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45
Medeplegen moord (art. 289 Sr) en medeplegen voorhanden hebben vuurwapen van categorie III en munitie, meermalen gepleegd (art. 26.1 WWM). Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsman dat “de redelijke termijn is overschreden” en dat verdachte nog steeds vastzit? Hof heeft wat raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als verweer waarop uitdrukkelijk beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van schending van redelijke termijn en dat verdachte nog is gedetineerd, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM zou zijn overschreden. Volgt verwerping. CAG: anders.
De uitspraak op rechtspraak.nl