HR 19 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:413

Mishandeling (art. 300.1 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr) van vriendin op straat. Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsvrouw m.b.t. overschrijding van redelijke termijn in hoger beroep (“In 2019 is de zaak aan de orde geweest. Het is nu 2022. Wat betreft de overschrijding van de redelijke termijn kan die in mindering worden gebracht op een eventuele straf”)? Gelet op wat raadsvrouw heeft aangevoerd over overschrijding van redelijke termijn, had hof hierover gemotiveerde beslissing moeten nemen. Omdat zo’n beslissing in ‘s hofs uitspraak ontbreekt, is middel in zoverre terecht voorgesteld. HR doet zaak zelf af door ervan uit te gaan dat redelijke termijn van berechting a.b.i. art. 6.1 EVRM bij behandeling van zaak in h.b. is overschreden. In het licht van opgelegde gevangenisstraf van 1 maand, is er geen aanleiding om aan oordeel dat bij berechting van zaak in h.b. redelijke termijn is overschreden enig ander rechtsgevolg te verbinden. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen