HR 9 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:4
Rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen (art. 579 e.v. (oud) Sv). Hof heeft aangehouden persoon n-o verklaard in zijn hoger beroep tegen vonnis Rb, waarbij Rb heeft vastgesteld dat aangehouden persoon de veroordeelde is, n.a.v. vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv. Ontvankelijkheid cassatieberoep. 1. Overgangsrecht. Mogelijkheid tot instellen van rechtsmiddelen nadat met ingang van 1-1-2020 rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen met onmiddellijke ingang is vervallen. Heeft hof aangehouden persoon terecht n-o verklaard in h.b. i.v.m. vervallen van regeling? 2. Heeft aangehouden persoon na terugwijzing voldoende belang bij h.b. als hij opgelegde straf al volledig heeft ondergaan? Ad 1. Wetswijziging brengt met zich dat Boek 6, Titel I, Vierde afdeling (oud) Sv over ‘rechtsgeding tot herkenning van veroordeelden of van andere gevonniste personen’ per 1-1-2020 met onmiddellijke ingang is vervallen. Gevolg hiervan is dat vanaf die datum geen nieuwe inleidende vorderingen a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv aanhangig kunnen worden gemaakt, ook niet voor gevallen waarin ten uitvoer te leggen straf is opgelegd vóór 1-1-2020. In wetsgeschiedenis bij Wet USB wordt niet specifiek ingegaan op vraag welke gevolgen het vervallen van regeling heeft voor zaken waarin vóór 1-1-2020 inleidende vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv aanhangig is gemaakt, maar waarin niet voor die datum onherroepelijk op deze vordering uitspraak is gedaan. Met oog op belangen van goede rechtspleging en eisen van rechtszekerheid, een en ander in licht van wat hierover is opgemerkt in CAG, moet worden aangenomen dat in die zaken wat betreft mogelijkheid tot instellen van rechtsmiddel de regeling van Boek 6, Titel I, Vierde afdeling (oud) Sv van toepassing blijft. Dit betekent dat art. 579-584 (oud) Sv ook na 1-1-2020 van toepassing zijn gebleven op behandeling van zaken waarin inleidende vordering a.b.i. art. 580.1 (oud) Sv vóór 1-1-2020 aanhangig is gemaakt en ook voor die datum niet onherroepelijk uitspraak is gedaan op vordering. Ad 2. Ook als bij behandeling na terugwijzing wordt vastgesteld dat aangehouden persoon de opgelegde straf al volledig heeft ondergaan, heeft aangehouden persoon voldoende belang bij behandeling van zijn h.b. en verkrijgen van in art. 579 (oud) Sv bedoeld oordeel over herkenning als veroordeelde persoon. Die omstandigheid biedt dus geen grond voor niet-ontvankelijkverklaring in h.b. Volgt vernietiging en terugwijzing.
De uitspraak op rechtspraak.nl