HR 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1739

Doodslag (art. 287 Sr) door (ex-)vriendin in zijn auto meermalen met mes te steken en vervolgens met auto de Nieuwe Maas in te rijden. 1. Afwijzing van verzoeken om getuigen te horen over uitluisteren en uitwerken van heimelijk afgeluisterd (OVC-)gesprek en om (tweede) aanvullend p-v van bevindingen te laten opmaken. 2. Afwijzing van verzoek om personen die als referent hebben meegewerkt aan onderzoek van Pieter Baan Centrum als getuigen te horen. Ad 1. Uit p-v blijkt dat door verdediging gedane verzoeken tot horen van getuigen en opmaken van (tweede) aanvullend p-v van bevindingen in verband staan met bruikbaarheid van OVC-gesprek voor beantwoording van vragen van art. 350 Sv. Daarbij zou door verdediging met deze verzoeken voorgestaan onderzoek zich moeten richten op wijze waarop OVC-gesprek is uitgeluisterd, wie uitluisteraars zijn, ervaring van uitluisteraars en aan uitluisteraars gegeven opdracht om OVC-gesprek uit te luisteren. Hof heeft deze verzoeken afgewezen omdat verzoeken door verdediging onvoldoende zijn onderbouwd en dat daarom noodzaak van het door verdediging verlangde onderzoek ontbreekt. Hof heeft hierbij kennelijk betrokken dat n.a.v. vragen van verdediging en hof over uitwerking van OVC-gesprek hof opdracht heeft gegeven tot opmaken van aanvullend p-v van bevindingen (in aanvulling op eerder p-v), dat dit aanvullende p-v al betrekking heeft op vraagpunten die verdediging nadien heeft genoemd in relatie tot genoemde verzoeken en dat hof zich voldoende ingelicht acht over verrichtingen m.b.t. OVC-gesprek. Ook voor genoemde verzoeken tot horen van getuigen geldt dat daaraan eis mag worden gesteld dat deze door verdediging moeten worden gemotiveerd. Die verzoeken zien immers op horen van personen die kunnen verklaren over verrichtingen die m.b.t. OVC-gesprek zijn gedaan en wijze waarop die verrichtingen zijn verlopen, en betreffen niet horen van getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring zoals die door rechter voor bewijs van tlgd. feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt a.b.i. HR:2021:576. Afwijzing van verzoeken tot horen van getuigen en opmaken van (tweede) aanvullend p-v door hof getuigt ook anderszins niet van onjuiste rechtsopvatting en is (ook in licht van wat verdediging op tz. in hoger beroep n.a.v. aanvullend p-v naar voren heeft gebracht) niet onbegrijpelijk. Ad 2. Hof heeft verzoek tot horen van personen die als referent hebben meegewerkt aan onderzoek van Pieter Baan Centrum afgewezen. Daartoe heeft hof overwogen dat verdediging heeft nagelaten nader te onderbouwen op welke punten referenten onjuiste informatie zouden hebben verschaft of waaruit gestelde onjuistheden zouden bestaan of blijken. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu verdediging slechts naar voren heeft gebracht dat referenten al lange tijd geen contact hebben gehad met verdachte en verdediging daarbij alleen in algemene bewoordingen kanttekeningen heeft geplaatst bij volledigheid of juistheid van de aan referenten ontleende informatie, zonder dat daarbij is aangeduid waarover die referenten, ondanks gestelde ontbreken van contact met verdachte, in licht van bevindingen van Pro Justitia rapportages en met oog op sanctiebeslissing zouden moeten worden bevraagd. N.a.v. CAG merkt HR op dat verzoek tot horen van getuigen, dat is gedaan op eerdere tz. in h.b., verzoek a.b.i. art. 287.3.a jo. 415.1 Sv betreft. Dat betekent dat, ook al is onderzoek ttz. in h.b. daarna opnieuw aangevangen i.v.m. gewijzigde samenstelling van hof, gelet op art. 322.4 Sv in cassatie kan worden geklaagd over beslissing van hof die op eerdere tz. in h.b. is genomen waarbij verzoek is afgewezen. In zo’n situatie brengt enkele omstandigheid dat verdediging, na op tz. gegeven beslissing, dat verzoek niet heeft herhaald op volgende tz., niet met zich dat belang bij klacht over die afwijzing ontbreekt. Onder omstandigheden kan belang bij klacht in cassatie wel ontbreken. Dat is het geval als rechter in motivering van beslissing waarbij verzoek wordt afgewezen, tot uitdrukking brengt dat hij zich o.b.v. wat bij gelegenheid van pro forma-zitting of regiezitting aan orde is gekomen (waaronder begrepen wat verdediging ter onderbouwing van verzoek heeft aangevoerd) onvoldoende ingelicht acht om verzoek te kunnen toewijzen omdat pas bij latere behandeling van zaak voor beoordeling van verzoek relevante belangen in hun volle omvang gewogen kunnen worden (vgl. HR:2014:1496 en HR:2016:2022). In zo’n geval mag van verdediging worden verwacht dat, als wens tot horen dan nog bestaat, zij verzoek op latere tz. herhaalt. Deze situatie doet zich echter in deze zaak niet voor. Volgt verwerping.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken